zondag 3 december 2017

ANTON KORTEWEG - Het leven deugt. Althans op onderdelen




Foto: © Nelke Hermens, 2017


INDRINGEND ALS MOTREGEN

Als je alle 13 bundels van Anton Korteweg (geboren in 1944 in het West-Brabantse plaatsje Zevenbergen) vanaf zijn debuut in 1971 tot en met het juist verschenen 'Het leven deugt. Althans op onderdelen' in één marathonsessie las, zou het je opvallen hoezeer hij thema's en stijl trouw is gebleven. De verschillen zijn het best te vangen in termen van gradatie en accenten. Zo is de scherpe ironie overgegaan in milde spot, onvrede in aanvaarding en het scherpe formuleren in een los, schijnbaar achteloos noteren.

Bij Hölderlin vond hij regels die voor de uit drie delen bestaande nieuwe bundel citaatwaarde hebben: Das Angenehme dieser Welt hab’ ich genossen / Die Jugendstunden sind, wie lang! wie lang! verflossen. / April und Mai und Julius sind ferne, / Ich bin nichts mehr, ich lebe nicht mehr gerne! Vreemd eigenlijk dat juni ontbreekt maar dit terzijde. De soep wordt niet zo heet gegeten als zij wordt opgediend; beide dichters deden wat ze moesten doen: vastleggen en, zeker in het geval van Korteweg, snel publiceren.

Hoezeer Korteweg ook doorgegaan is op de eenmaal qua onderwerpen en uitwerking ingeslagen weg, de eigenzinnigheid schemert nog steeds door heel wat strofen en in het bereiken van het gewenste resultaat heeft zij zich zelfs weten te verbeteren. Vaak krijgt een gedicht pas aan het eind z'n beslag, bijvoorbeeld in de slotstrofe van 'Leiden, voor mijn raam' dat een gelatenheid á la Bloem uitstraalt.



Ach, wezenloos mijn raam uit staren
en niets te zien, alleen de aftandse straat:
versleten klinkers, grijs trottoir, bakstenen muren,
en aan het eind daarvan bewegingsloos
wat verre boomtoppen, waarvan je hoopt
dat de lente ze nooit zal bereiken.




Hoe minutieus deze beschrijving ook overkomt, de laatste regel splitst zich in betekenis. Enerzijds verdiept hij de treurigheid nog eens, anderzijds ontspringt hij eraan door de gesuggereerde vraag: waarom zouden de boomtoppen nooit meer mogen bloeien? Omdat er meerdere antwoorden op zijn te bedenken, ontstaat dus een spel van vergelijken, en dat staat voor creatie, bloei, desgewenst een Gorteriaanse lente!






Eén van de hoogtepunten van de bundel is het korte vers 'Zijn kop', dat net zo’n nawerkend einde met ingebouwd contrast kent.



ZIJN KOP

(Kees Verwey,
Zelfportret 1977)

Zijn aangevreten kop -dat deed de tijd-
dook met een zekere gretigheid
nog eenmaal behoedzaam op
uit een lome rivier van kleuren.

Zijn ogen wilden niet mee:
er moest nog veel worden gezien.

Die van mij, even oud zowat,
kijkt zich uit de zijne tevoorschijn.




De ambities van vroeger worden flink getemperd in woorden als ‘ach’, ‘enfin’, ‘het kan ermee door’ en ‘athans’ (zie titel). Korteweg is één van de meest relativerende dichters die ik ken. Ook een woord als ‘tiaatje’ past, los van een verleden, in dit plaatje.

Kenmerkend is tevens de keuze voor een kleine, weinig zeggende omgeving, al aangegeven in titels als ‘Begraven in Emmeloord’, ‘Helmond’, ‘In Venlo’ en ‘Sint-Niklaas’. Dat zijn, voorzichtig gezegd, niet bepaald locaties waar het hart van de gemiddelde lezer sneller van gaat kloppen, tenzij die er is geboren of er een sterke ervaring opdeed. Onder deze namen hangen dan nog eens ruimtelijke omstandigheden die meestal in slechts enkele sfeerbepalende woorden worden geschetst maar de alledaagse werkelijkheid en handelingen duchtig versterken. Zo is er bijvoorbeeld sprake van ‘een treinwagon’, ‘een weekmarkt’, ‘de pont van Maassluis’, ‘een park’ en ‘een terrasje’. Opvallend genoeg zijn dat allemaal publieke locaties, met volop mensen. De ik-persoon bevindt evenwel nooit in het middelpunt maar aan de zijkant. Hij ziet, kijkt, observeert en legt al concluderend vast. Niet zelden is hij blij er niet meer toe te behoren, mocht dat ooit al het geval zijn geweest. Een treffende uitspraak bieden in dit verband de slotregels van het vers ‘Ouderwets mannetje, Leiden, jaren zestig’: “Opa kwam zelden verder dan het hoefpad, / ik was nooit in New York of in L.A.

Nog een andere techniek om een dergelijke gedempte realiteit te benadrukken en tegelijk ook naar het verleden te verwijzen, een al dan niet afgesloten tijd die zowel vertrouwdheid als vervreemding oproept, is het noemen van merknamen en dergelijke. De oudere lezers zullen geen moeite hebben om bijvoorbeeld ‘Reckitt’s blauwe zakjes’, ‘Terlenka-broekje’, ‘MULO’, ‘Hero’ en ‘Nescio’ te duiden. Dit betekent niet dat Korteweg geen oog zou hebben voor recente of hedendaagse ontwikkelingen, integendeel zelfs want net zo terloops neemt hij namen en woorden op als ‘Kim Phúc’, ‘BOVAG’, ‘Syrië en Irak’. Het betekent wel dat hij parallellen inzet en er een al dan niet uitgesproken moraal aan koppelt. In één gedicht werkt hij zelfs gedachten aan drie episodes uit, waarbij hij speels de Bijbel aanhaalt, één van zijn oudste ‘inspiratieputten’:



OORLOGEN

Oorlogen zijn voor mij het Oude Testament.
Allemaal achter Mozes en zijn slang aan
in marstempo naar het Beloofde Land
de woestijn in, de Schelfzee door die week,
en dan verdelgen maar wie in de weg staat:
Hethieten, Ammonieten, maakt niet uit
hadden ze maar geen heiden moeten zijn,
niet in een land van melk en honing moeten wonen.

Veldtochten, later, konden ermee door.
Vooral die van Napoleon: Grandes Randonnées
in kleurig uniform, volle bepakking
van Rijn tot Nijl, Elbe tot Berezina.
En al die paarden maakten ook veel goed.

Maar dichterbij kom ik toch liever niet,
bang dat Kim Phúc, het naakte Napalmmeisje
mij alsnog brandend in de armen rent
.



Een aparte categorie in zijn areaal aan toespelingen vormen de namen van kunstenaars. Niet voor niets publiceerde hij onlangs ‘Het Oog van de Dichter’, een verzameling essays over gedichten die op een schilderij zijn gericht.
Aan een doek van Kees Verwey wijdde hij een compleet gedicht, zie boven.
De muziek komt in de vorm van klassiek en pop aan bod. Hij refereert aan Stabat Maters en ‘Die schöne Müllerin’ plus ‘Eine Winterreise’ van Franz Schubert en somt de namen op van o.a. Bob Dylan, Beatles, Doors en Earrings.
De literatuur is natuurlijk belangrijk. Bij de schrijvers duiken behalve Hölderlin ook Goethe, Engelman, Auden en Nescio op en, in een opdracht, Wim Hofman.

Kortewegs poëzie verenigt onvermoed veel tegenstellingen. Zijn gedichten hebben het doorgaans over zaken die veel mensen te gewoontjes of ronduit saai vinden maar die er in het leven wezenlijk toe doen; bij eerste lezing glijden je ogen mee op de achteloze verteltoon terwijl je, aandachtiger lezend, de nodige ingangen vindt naar onder meer culturele bakens en onderliggende religieuze en politieke boodschappen; er is geen verschil in hiërarchie tussen groot en klein (wereldpolitiek versus dorpsleven) of hoog en laag (Albert de Klerk en Alphons Diepenbrock versus de Golden Earrings).
De dichter heeft goed begrepen dat de effecten van deze tegenstellingen krachtiger werken naarmate ze beter verstopt zijn, vooral geen inbreuk maken op de verhaallijn.

Dit alles maakt dat Kortewegs poëzie indringend is als motregen, zolang je je ‘althans’ maar lang genoeg buiten waagt, je buiten je eigen vertrouwde denkpatronen wilt plaatsen, zijn bundel leest en herleest!

En daarom tot besluit:



BEROEPSKEUZE

Opperbevelhebber, je maintiendrai,
meedogenloos optreden tegen amokmakers

- Spoor, onze generaal stond in de boekenkast-,
leek me wel wat. Maar dat kon erg lang duren.

Dominee ook. Dat ik met eigen armen
mijn schapen zegenen kon en dat de Here
zijn aangezicht dan over hen deed lichten,
had ik dat nu maar mogen geloven.

Boer - ook niet gek. Wel graag een hele grote,
met duizend bunder vette klein, bepette knechten,
een Morris en een pronte struise vrouw.
Maar wat zag ik dan van de wereld?

Dichter dus maar. Met opgeruimd gemoed
liet ik, en laat nog steeds, wie oren heeft
voortdurend horen wat hij allang wist:
het leven past ons doorgaans van geen kant,
ons hart verlangt in ons en is onrustig,
en hij, Doodje de Grote, onmiskenbaar hij,
eigent zich steeds meer kamers in ons toe.




ANTON KORTEWEG; ‘Het leven deugt. Althans op onderdelen’; 76 pagina’s; Meulenhoff, Amsterdam; 2017; ISBN 9 789029 092258 ; NUR: 306. € 18,99.


Lees ook de recensie over Kortewegs boek 'Ouderen zijn het gelukkigst':


www.alberthagenaars.nl

En zie ook:
Frozen Poets - Beelden, graven en andere sporen van dichters

Nederlandstalige gedichten in Indonesische vertaling


vrijdag 3 november 2017

PHILIPPE CAILLIAU - Tot de stenen wortel schieten


VERMENIGVULDIGDE HOOP

Albert Hagenaars over 'de nieuwe Philippe Cailliau'



Foto: © Albert Hagenaars, 2013



INLEIDING
Philippe Cailliau mocht in 2016 zijn tiende poëziebundel publiceren. Dit lustrum rechtvaardigt een diepere afdaling in zijn werk dan “gangbaar” is.

De dichter (1954, Elisabethstad) vaardigde twee Russische dichteressen als heraut af: Anna Achmatova en Marina Tsvetajeva. Van de eerste koos hij de regels "De frisse geur van teer, een kreet van woede, / Een vreemd gevormde schimmel op de muur... / Dan klinkt opeens, tot uw en mijn genoegen, / Een vers op, teder en vol vuur." Aan de tweede ontleende hij het fragment : "Maar als u geen hout meer hebt voor uw fornuis?" / Een dichter heeft altijd een voorraad in huis / van woorden, die vuur evenaren.”

Wat hebben deze twee motto's gemeen? Enerzijds armoede en ellende -beide dichters kregen te maken met de knoet van de Sovjet-politiek- en anderzijds de passie voor het dichterlijk woord. In dat straatje past ook Cailliaus situatie, al kunnen we dan politieke dwang en manipulatie vervangen door ziekte en doodsangst. De citaten bevestigen hoe dan ook Cailliaus insteek: de primaire, soms zelfs vegetatieve levensdrang van de poëzie, vooral bij tegenstand, en de trots van de vertolker, kwetsbaar maar allesbehalve weerloos… De hoop dus!
Die spreekt ook uit zijn nieuwe titel ‘Tot de stenen wortel schieten’. Kan die iets anders betekenen dan dat een dood materiaal gaat leven? Welzeker, je kunt hem vergelijken met gezegdes als ‘wachten tot je een ons weegt’ en 'wachten tot sint-juttemis'. Met andere woorden: het gaat niet gebeuren. Onderstaande verkenning wil echter aantonen dat de dichter wel degelijk het eerste bedoelde. Er is immers een constante wisselwerking tussen talrijke motieven die leven en dood bepalen, vaak verstrengeld raken.

Het boekje bestaat uit vier delen: 1) ‘Stapvoets leven’, 2) ‘De geur van taal’, 3) ‘Geklemd vanbinnen en vanboven’ en 4) ‘Wonen in een reistas’. Laten we die volgorde en titels aanhouden…



1: STAPVOETS LEVEN
De eerste afdeling telt meer dan de helft van de gedichten. Sommige zijn dan nog eens onderverdeeld. Ofschoon de titel anders doet vermoeden legt dit deel thematisch niet evenredig veel gewicht in de schaal. Ik bedoel soortelijk gewicht. Dat wil zeggen, Cailliau zet hier sterk uiteenlopende onderwerpen in, o.a. beschrijvingen van zowel fysieke als mentale ruimtes (met originele woorden als “Eroshuizen”, “kamers met en zonder engelen”, “voorportaal”, “een binnenplaats die Naamloos heet”, “containers van verlangen” en “een watermolen met droge stem”), en verder angst (met “eindeloze barst”, “amputeren”, “executies”), wraak, moeder en, last but not least, de poëzie zelf.

Dit brede gedachteperspectief kan qua omvang als een uit de hand gelopen inleiding worden gezien, waarvan de uitwerking dan in de andere drie delen volgt. Die zijn thematisch sterker gebald en dringen zich daarom meer op. Met de kwaliteit van de gedichten op zich heeft het niets te maken. Die loopt namelijk, beoordeeld over de hele linie, nooit ver uiteen.

Eén voorbeeld van zijn compacte zegging en raadselachtigheid biedt het volgende fragment uit ‘Ik weet je niet’:



Ik ken je, ik ben je niet. Ik weet je niet.
Zoals een noodgeval geen loos alarm is,
zoals een middelpunt geen omtrek heeft.
ik ken je niet, ik ben je niet, ik heb je niet
bij naam genoemd. Onuitgesproken ben
je in je lijf een borrelende, hete schaal.



De melodie laat in eerste instantie gemakkelijk doorlezen maar zeker bij herlezing word je aangespoord een en ander op te lossen.
Waarom bijvoorbeeld staat er een punt in plaats van een komma in de openingsregel, terwijl dat in de reflecterende regel vier niet zo is? Let daar meteen ook op het toegevoegde woordje ‘niet’.
Wat zou het verschil zijn met: “Ik ken je, ik ben je niet, ik weet je niet” of met “Ik ken je. Ik ben je niet. Ik weet je niet. Het lijken onbetekenend kleine verschillen maar bij een kommaneuker als Cailliau telt nu eenmaal elk leesteken.
En: hoe kan een middelpunt geen omtrek hebben? Mogelijk antwoord: als het figuratief is bedoeld bijvoorbeeld ‘in het middelpunt van de belangstelling staan’.
En: verwijst de hier besproken punt naar middelpunt in regel 3 (hij staat wel zowat in het midden van de regel)?
En ook: wijst de dichter met punt en middelpunt vooruit naar de schaal aan het eind van regel 6? Dat zou tot gevolg hebben dat hij op een lichamelijk middelpunt duidt. Maar ho, vanaf hier stuiven de interpretaties je pas echt om de oren, variërend van een baarmoeder (Cailliau heeft het herhaaldelijk over moeder en gebruikt graag samenstellingen als moedertaal, moederstad e.d.) tot een tumor.
Tóch nog een poging, een vluggertje dan: In de daaropvolgende strofe staat: “Ik ken je als een geurig boek, een bundel / vol met inkt en poëzie, vol uitgestrekt / verlangen en verdriet” en nog verder “ik ken je als een bundel van / verlangens en een trots verdriet.” Het is verleidelijk te veronderstellen dat hij met het aangesproken personage de onderhavige poëziebundel bedoelt maar pas op, het gaat wel in beide gevallen slechts om een vergelijking en dat brengt ons niet wezenlijk dichter bij een eenduidig antwoord. Moet dat dan? Dat hangt van het standpunt van de lezer af. Lezers die uiteindelijk zekerheid en duidelijkheid willen, een beloning voor hun inspanning, zullen gefrustreerd afhaken. Anderen, meer gericht op het proces dan op het product, kunnen in het verwarrend grote aantal mogelijkheden met plezier en fascinatie blijven zoeken, elke keer opnieuw geconfronteerd worden met nieuwe puzzelstukken. Lees je liever lineair of cyclisch? Daar komt het op neer.



2: DE GEUR VAN TAAL
De tweede afdeling, bestaande uit 10 gedichten, draagt als titel 'De geur van taal'. Cailliau zou Cailliau niet zijn als hij niet ook over de inzet van zijn materiaal schreef. Dat deed hij immers al in zijn eerste bundels. Het is hem altijd ook om het hóe te doen. Was hij een timmerman of loodgieter geweest, hij zou een handboek over het vak hebben gepubliceerd, liefst met veel annotaties en uitgebreid register. Hoe dan ook is hij een onvervalste boodschapper, maar wel eentje op zijn eigen strikte voorwaarden en dus, zoals hierboven al aangegeven, lang niet voor iedereen.
Het sterk cerebrale karakter van zijn poëzie zal menige lezer doen terugdeinzen. Het roept bijna vanzelf expressieve beelden en uitspraken op als tegenkracht. Ik ken geen ander lyrisch oeuvre waarin die twee componenten zo koppig en eigenwijs samengaan en dan nog in overwegend lange verzen.

‘Geur’ is een ambivalent woord; in een eau de toilette of parfum vervluchtigen de essentiële bestanddelen. Als lijfgeur of als die van een bos, een stad of de zee juist niet, daar versterkt het mede de identiteit. Wedden dat de dichter de laatste optie inzet?! Veelzeggend is dat ‘geur’ of ‘ruiken’ in geen enkel vers in deze afdeling voorkomen (op één keer ‘neus’ na) maar elders in het boek wèl. Het gaat dus, nogmaals, om het tweede element: de taal, niet zozeer als gereedschap maar als organisme, als wezen!

Zelfs wanneer Cailliau zich op de taal als onderwerp richt, bestrijkt hij graag een uitwaaierend spectrum, zoals enkele titels van deze afdeling verklappen. De eerste is 'Communicatieruis 1' en de laatste 'Communicatieruis 2' en daartussen vinden we o.a. 'Legeringen van letters', 'Lied van lief en lafenis - Wingdings' en 'Letters schrijven met zwarte inkt'.

Ademen de overeenkomende titels, niet toevallig aan het begin en het slot geplaatst, verschillende interpretaties uit? Nummer 1 kondigt een storing in de overdracht aan en nummer 2 besluit of corrigeert die door de uitwerking van ideeën in de tussenliggende teksten. Je kunt ook zeggen dat het een aankondiging met terugwerkende kracht is.
Beide gedichten vormen een eenheid. Hiervoor pleit, behalve dezelfde naam en de nummering, dat de eerste twee strofen van elk vers, op één schijnbaar onbelangrijk woord na, identiek zijn evenals grote fragmenten in de volgstrofen.

Nummer 1 begint met een citaat dat, vertaald naar de eigen discipline, een poëticale uitspraak wordt. Nummer 2 heeft geen citaat maar is een stuk langer door diverse inlassen. De slotwoorden zijn weer wel dezelfde maar de causaliteit in het gedicht is danig opgeschud, te beginnen met dat eerste woordje dat de overeenkomst doet ontsporen: "tongen van licht" in 2 versus "tongen en licht" in 1. Dat maakt nogal een verschil; bij beide is er sprake van dualiteit, maar inhoudelijk is er in 1 sprake van samenval. Dat 1 en 2 niet gewoon achter elkaar staan moet dus te maken hebben met de andere acht teksten.
Voor wie bevangen is door dezelfde fascinatie voor taalgefröbel als de dader, en ook ondergetekende, volgen hieronder integraal beide versies.



COMMUNICATIERUIS 1

    Bij het schilderij Wat zegt ie?
    olieverf op katoen
    van Eva Sanders Jonsson

Stemmen die ruisen. Roffels van sprekende
monden verstoren het ritme van vragen
en krijgen. Woorden gelepeld in handen.

Neuzen die klanken verschuiven naar hoofden
die wachten op tongen en licht. Woorden
geklemd tussen vingers en denkende ogen.

Geduld is: geen antwoord. Geen kreten.
Geen zoemen. Geschutter. Tribunes verzinnen
vertelsels alom. Ontwaken doet zwijgen of

dromen vertellen. Een doek is voor oren van
angst. Daartussen de chaos die stamboom na
stamboom verbrokkelt en sloopt. Nu morsig

gestotter de schilder en schrijver bereikt.
Slechts monden die stamelen, geven en groeien.
Of iemand wat zegt, weet niemand die luistert,

weet niemand die spreekt.



Voor de diehards: het betreffende schilderij is te vinden op Jonssons site én in E-zine De Vallei XXVIII, december 2015.



COMMUNICATIERUIS 2

Stemmen die ruisen. Roffels van sprekende
monden verstoren het ritme van vragen
en krijgen. Woorden gelepeld in handen.

Neuzen die klanken verschuiven naar hoofden
die wachten op tongen van licht. Woorden
geklemd tussen vingers en denkende ogen.

Er is in het donker geen mens die wat hoort.
De leegte is zwart. Zo glijdt het geluid naar
de hoofden die horen en hopend en weerloos

balsturig gaan zitten. Wie poogt te begrijpen,
probeert iets te vatten, wil zeker getoonzette
beelden ontwarren; blijft koppig doorgronden

wat mogelijk is. Geen antwoord. Geen kreten.
Geen zoemen. Geschutter. Tribunes verzinnen
vertelsels alom. Ontwaken doet zwijgen of

dromen vertellen. Een doek is voor oren van
angst. Daartussen de chaos die stamboom na
stamboom verbrokkelt en sloopt. Nu morsig

gestotter de schilder en schrijver bereikt.
Als hopen en grijnzen en wachten uiteindelijk
proberen met stemmen verhalen te vormen:

slechts monden die stamelen, geven en groeien.
Of iemand wat zegt, weet niemand die luistert,
weet niemand die spreekt.



Op het doek zie je een aantal individuen dicht bij elkaar die samen geen groep vormen maar dat misschien wel willen worden. Dit komt overeen met zowel bepaalde woorden en zinnen in de betreffende gedichten. Ook Cailliau werkt met isolatie en uitbreiding, pogingen tot zowel inkeer als uitwisseling.
Als je het schilderij aandachtig bekijkt, zie je uitspraken als “woorden gelepeld in handen” en “probeert iets te vatten” figuratief direct uitgebeeld.

Wie naar verborgen verbanden zoekt in de gedichten tussen ‘Communicatieruis’ 1 en 2 zal misschien teleurgesteld zijn. Weliswaar staat de thematiek van overdracht en het falen ervan centraal maar de autonomie van de verzen is sterker dan een mogelijk ondersteunende functie. Regelmatig duiken memorabele fragmenten op zoals "De spraakkunst die hij spreekt / is niet zijn kunst van spreken."
Ook mooi is wat mij betreft, en niet eens vanwege de dubbele symboliek van ‘helen’ en ‘heel maken’ (respectievelijk veronderstelde schade en fragmentatie): "Lettergrepen zijn de kleine / woorden in een gaasverband". Even verderop heeft hij het over "taal in gipsverband". Beide mogelijkheden doen dus mee.






Poëzie die dermate dicht van zegging is, rijk aan gedachten en ook nog zuinig, zo niet gierig, omgaat met een traditioneel verbindend element als klankovereenkomst moet wel, om niet in geknars vast te lopen, tegenkrachten inzetten. Dat heeft de dichter goed begrepen. Ik noemde al de behoefte aan een expressieve zegging. Meer specifiek zal ik nu van twee bijsturende toepassingen in de stijl een voorbeeld geven.

Ten eerste ontspringen gedachten hun prozaïsch verpakte mededeling nogal eens door grammaticale meervoudigheid. Bij eerste lezing bijvoorbeeld van "tribunes verzinnen" lees je door de opsomming van eerst drie ontkenningen en daarna één vaststelling al gauw dat tribunes worden verzonnen. Pas bij dóórlezen ontpoppen de tribunes zich ineens als een subject. Zoiets geeft de strofe een ritmische impuls!
Ten tweede hanteert Cailliau een opvallende beeldspraak. Die is zonder meer verrassend, enerzijds door ongewone combinaties als 'oren van angst' en anderzijds door een ongemeen sterk beroep op lichamelijkheid. De eerste versie van het geënterde gedicht confronteert de lezer op monden, handen, neuzen, hoofden, tongen, vingers, ogen, oren en nogmaals monden. Dat is al aardig wat lijf. En dan zijn er nog de daarmee de associërende begrippen als spreken, vragen, denken, antwoord, geschutter, zeggen, weten, luisteren etc. Die fysieke beeldspraak doet denken aan het werk van enkele Vijftigers maar kan niet anders dan authentiek zijn. Het zou gezien het haperen van zijn gezondheid immers vreemd zijn als Cailliau daar niet de nadruk op zou leggen.
Feit is dat zijn poëzie zonder deze elementen nauwelijks te genieten zou zijn. Nu is er volop activiteit, veel regels en beelden gisten en borrelen, zeg maar léven!

Zijn er geen zwakke punten aan te wijzen? Jawel, juist in zijn drang naar communicatie, naar uitleg ook (hij was lange tijd actief in het hogere onderwijs) is hij weinig zuinig met woorden. Hij schrijft dan wel gebalde maar nog altijd ook drukke gedichten hetgeen de taal kan laten golven en stromen, maar soms ook teveel van het goede is. Waar hij bijvoorbeeld aangeeft dat “de chaos stamboom na stamboom verbrokkelt” is het overbodig daar nog het tautologische “sloopt” aan toe te voegen. Waar hij zich inhoudt, is hij meestal op z'n best, en daar zijn enkele gedichten in dit tweede deel het bewijs van. Zie ‘Ritmisch’, dat, maar dit terzijde, centraal in de afdeling staat, in het midden tussen de gedichten ‘Communicatieruis 1’ en ‘Communicatieruis 2’. En ‘midden’ spiegelt zelf weer in ‘middelpunt’ (zie boven)
Geef toe, onderstaand gedicht ‘Ritmisch’, tot de kern zelfs teruggebracht, geeft nog altijd genoeg te raden.



In spiegels gedijen beelden wel.
Identiteit komt woord na woord.

Een selfie is een klankbord,
een zin die opengaat en iets vertelt.

Kiosk in zich. De koepel spreekt zijn
muzikale talen: blazers met

hun bombardon. Signalen ritmisch
voor het overkoepelende oog.



Belangrijk is “een zin die opengaat en iets vertelt” want wát als ‘Communicatieruis’ nou eens niet bedoeld wordt als dualistisch gedicht maar als slechts één waarvan een zin is opengegaan, als één gedicht dat iets vertelt (de acht tussenliggende gedichten dan natuurlijk) en dat daardoor zelf zodanig verandert dat het einde er anders uit is komen te zien, hoewel daar identieke woorden zijn gebruikt?! Ja, misschien schittert hier een antwoord. We gaan nog even door…

‘Selfie’ ondersteunt het thema van reflectie evenals ‘kiosk’ want ook zo’n muziektent is een klankbord. Cailliau verbindt de zintuigen horen en zien hier op treffende wijze middels de koepeling van de kiosk en de kromming van het oog. Beide vallen bovendien samen in hun ronde vorm, die -sluit voor de zekerheid niks uit bij deze dichter- ook voor de gewenste cyclische leesinstelling van de lezer staat.

Het zou me niets verbazen als de kiosk een aankondiging is van de stadsbeelden in afdeling 4, in concreto die van Oostende, de nieuwe woonplaats van de dichter. In het Leopoldpark, bij hem om de hoek nota bene, staat zo’n fraaie traditionele muziektent. In het eveneens dichtbije Maria Hendrikapark ligt volgens Google dan nog eens -het is alsof de duvel ermee speelt- een vijver met de naam Spiegelmeer! Die wordt omgeven door een dubbele en dus reflecterende cirkel van wandelpaden! Wordt ook hiermee weer met reflectie gegoocheld? Wat mij betreft wel ja, want Leopold en Maria Hendrika waren… man en vrouw! Soms verraadt de werkelijkheid meer verbintenissen dan goed is voor de geloofwaardigheid van de beschrijving ervan! Het kan ook andersom werken; intensief lezen van bepaalde gedichten vervormt de waarneming naar de fascinaties, of obsessies, van de maker, en Cailliau kan er getuige 'Tot de stenen wortel schieten’ wat van!

Nog niet moe van reflectie en reflecties? In het gedicht 'Lied van lief en lafenis' grijpt de schrijver terug op een oud gedicht uit zijn bundel 'Wedersamenstelling' (1981). Onderaan staat de mededeling dat de tekst de basis vormt van de transformaties op de daaropvolgende 2 pagina's.
De eerste vertaling met de nieuwe titel 'Liefdeslied en verfrissing - Translate' is nog een herleidbare versie met de extra ondertitel: Google Translate, Nl > Fr >Nl.
Die veronderstelt dat de authentieke tekst digitaal naar het Frans werd omgezet en vervolgens weer terug. Om een beter idee te krijgen, volgen hier alleen beide slotstrofen:



Beslapen en verlaten
het aanwezige. Leegte.
Draag de beweging
naar het stof, nu.



Geslapen en verlaten
deze. Leeg.
Draag beweging
stof nu.



Niet veel lezers zullen de vertaling herwaarts beter vinden dan het uitgangspunt. Het resultaat sluit echter naadloos aan op de thematiek van communicatiestoring.

De tweede transformatie is, met behoud van de oorspronkelijke titel en vorm, geheel in Wingdings-tekens gezet. Tja...

Een ander vers, 'Letters schrijven met zwarte inkt', refereert aan het werk van Achterberg. Diens stijl is dusdanig zichtbaar dat de ondertitel 'Gerrit Achterberg indachtig' haast overbodig is.



LETTERS SCHRIJVEN MET ZWARTE INKT

Gerrit Achterberg indachtig

Eindpunten op het land hebben de tijd.
Na ieder uur dat tussen ons gaat staan
komt er een wand die u en mij voortaan
gevangen houdt in dromen vol opstandigheid.

De avond krijgt metaal om zich te sluiten
voor de nacht, een stevig scherm dat dood
en slaap verankert in de moederschoot.
Wanhopig zoeken wij een weg naar buiten.

Een brood is een brood en stenen zijn van steen.
Woorden draaien om hun as en kleuren schijn
en hartstocht in het vlies van elke taal, venijn
dat zelfs het leven mild maakt, of obsceen.

Zo is uw liefde reizen van één poot tot evenaar.
Waar is de geile grens? Er blijft wat slipgevaar!



De titel is verraderlijk eenvoudig. Maar er staat niet "woorden schrijven" en ook niet "blauwe inkt". Cailliau brengt het gedicht terug tot het kleinste element, de letter, ofwel de basis waarmee het schrijven überhaupt aanvangt, zoals het leven in “de moederschoot” van regel 7. Niet alleen een leesteken, ook een letter kan een wereld van verschil uitmaken.
Zwart roept veel associaties op, om te beginnen avond en nacht, waar in het gedicht letterlijk sprake van is. Maar het is niet uitgesloten dat ook verwezen wordt naar de duisternis in de baarmoeder of dat een sneer wordt uitgedeeld aan de zwartkousen, de gereformeerden in de ‘Hollandsche’ Bijbelgordel waar Achterberg een exponent van was. Hij meldde zich als jongeling tenminste aan bij de Bond van Nederlandsch Hervormde Jongelings-vereenigingen op Gereformeerde Grondslag. En tussen die protestantse aftakking, sekte zo je wilt, en de seksualiteit wil het nog wel eens knellen en knallen.

‘Letters schrijven met zwarte inkt’ was overigens eerder te lezen in een bloemlezing met gedichten over Achterberg van Uitgeverij Demer.



3: GEKLEMD VANBINNEN EN VANBOVEN
Afdeling 3 bestaat uit maar vier gedichten. De eerste twee hebben de toevoeging (1914-1918) in de titel. Het derde noemt WO I en het vierde heet 'Een eeuw herinnering'.
Het eerste is een redelijk traditioneel loopgravengedicht. Het tweede zou heel goed passen in de voorgaande afdeling, waarin verstoorde communicatie centraal staat. Hier is het:



KUNDA (1914-1918)

Kunda, makiquat
e kunda?

    Bumbacchi, 6 dignoh
    6 quomé, cha ba
    rai 6 - ov di venunus.
    Hak 3 è 7 kun da meha
    thong. Ev rod ed: all
    beri beru balootah:
    10 ka vomydi.

         Kunda, meekiquat ie
         kundani? Zach thar
         di uhwu doht, ho quets
         bahr udunvel so lank
         the verduurn ehf.

    Lyph: du kunda as
    out eman, du kunde
               ehl art chaad vodi
               doht da tso lyf ee da
    tso haeth: vul da fel
    eeh kerda fel.

          Misti gepein in
          alco holg etst.
          Quaet, onquaet.
          Ram meri nendoe
          tmè wuhde - so
          is di asehm vo
          bluhdigh, vo hopich.

    Kunda! Kunda
    makiquat?
    Dohrsitem,
    wakkannik,
    hukkannik.

Ov tin ohg dasin:
lev de WO I di doth



Dat is even met de ogen knipperen! Wat voor taaltje dit ook is, dat van een mentaal beschadigde soldaat of een met trommelgehoor, als je fonetisch te werk gaat, is er wel een en ander te herkennen, of te raden:

"quat" kan kwaad zijn, “makiquat” in extenso: maak je kwaad;
"lyph" lief;
"vul da fel" vul/voel dat vel (wat goed aansluit op gedicht 4 met o.a. "in mensenhuid verpakt");
"alco holge etst" alcoholgeëtst;
"wakkannik / hukkannik" wordt dan misschien wat kan ik / hoe kan ik.

Dit komt over als Spielerei maar het is dan wel, de rode draad nog even volgend, verdomd consequente Spielerei. Cailliau maakt het zichzelf en de lezer niet gemakkelijk maar is dat gewenst als het over zo'n vermorzelaar als de Eerste Wereldoorlog gaat?

Het kan geen kwaad om hier te vertellen dat de dichter naar verluidt in de IJzerstraat is gaan wonen. Deze naam verwijst niet naar het metaal ijzer, zoals sommige Noord-Nederlandse lezers kunnen denken maar naar de rivier de IJzer, die een belangrijk deel van de frontlijn vormde in de Groote Oorlog. Over en weer werden de loopgraven ingenomen en opnieuw prijsgegeven wat onnoemelijk veel levens kostte. Aan de IJzer herinneren daarom nog altijd veel monumenten aan dat lijden. Vermits lijden een hoofdthema van Cailliau is, kan het niet anders dan dat hij zich hier terdege rekenschap van geeft; in de poëzie woont hij aan het front!



4: WONEN IN EEN REISTAS
De vierde afdeling is een lyrische verantwoording voor de verhuizing van de Brusselse Rand naar Oostende. Hij bestaat uit drie lange verzen over het afscheid van de hoofdstad plus een serie van tien getuigenissen over een plaats die maar al te goed weet wat, opnieuw, lijden is. Ditmaal gewaagt Cailliau o.a. van “schipbreuken”, “verlies in dikke rokken van vissersvrouwen” en “nazitempels”.
Toch getuigt de verhuizing van de drang zich ergens thuis te voelen, van een nieuwe levensruimte, van energie en inspiratie en vooral van continuïteit en oneindigheid, uiteraard verbeeld door o.a. lucht en zee. In de titel ‘North Seascape’ schemert het woord ‘escape’ slim door. Naast Noordzeelandschap is er dus ook Noordzeeontsnapping. Een ontsnapping uit Brussel? Aan het land? Elk van de tien verzen kent de spanning tussen zee en land, elk staat bol van woorden die daar mee van doen hebben: “schuim”, “baren”, “onderwaterlandschap”, “vinnen”, “drenkelingen”, “dronken”, “waterlijn”, “kolkgezuig”. Wie denkt dat ze uit de hele reeks afkomstig zijn, onderschat de dichter. Deze en nog meer woorden staan namelijk alleen al in het eerste gedicht!
Wees dus niet verbaasd er verderop nog vele tientallen aan te treffen. Ik geef enkele van de treffendste en origineelste woorden en combinaties: “op- en afgerold gebrul”, “watergids”, “drakenvis”, “zeemerrie”, “golven bloeden zaad”, “natte stem”, “zeenomade”, “zeilentaal”, “waterboog”, “waterakker”, “kustaccent".

Hier volgt nog een laatste gedicht, niet nummer 10 dat helemaal achteraan staat en een samenval met de zee suggereert, maar nummer 8. Ik koos juist dit gedicht om aan te sluiten op de hoop aan het begin van deze bespreking (Cailliau vermenigvuldigt die in regel 12 zelfs) en om er dus ook mee áf te sluiten:



Wij mensen menen veel, wenen ellende
aan elkaar, vermanen elke vreemdeling,
verleggen alle grenzen. Denken, als het even
kan, met nostalgie aan andere steden,
andere bedden. Afstammen doen wij
van de zeenomade. Bevolkingsdicht zijn
al die slapers die we zijn, die onvolmaakt.

Nooit anders dan getooide vrouwen
schonk de zee. Hoogzwanger, zwijgend
tot het tegendeel, toch sprekend tot
haar aan elkaar gevlochten zoons:
vermenigvuldig alle hoop en zalf.

De havenmeesters slaan hun munt.
Hun gecodeerde zeilentaal. Dan grendelen
zij de haven af – als wolken zwart en dreigend
stil geworden zijn. Zij zwemmen
met hun vleugels veilig weg, alleen,
gerustgesteld, en vragen alle wakkeren
de bundels licht te volgen. Ook ik verlaat
en tel de sporen van wat komen zal.
De toren leidt de taal, dat is mijn vuur.

Het keurigste West-Vlaams hangt
in de lucht: met zeilen, open
boten en motoren; met ziljen, oopm
sjhovers en moteurs
.



Dit gedicht kent trouwens wel klankovereenkomst en niet te weinig ook:
mensen-menen-wenen-vermanen
tot-tegendeel-toch-tot
vleugels-veilig-weg
steden-doen-nomade-dicht-die-die-die
zwart-zwemmen-zijn
wolken-geworden-wakkeren
tel-toren-taal

In het slot van de eerste strofe vallen vorm en inhoud perfect samen door het ontbreken van een werkwoord na precies het woord ‘onvolmaakt’.
Een gedichtenbundel die zoveel onvolmaaktheid in de menselijke beproevingen beschrijft als ‘Tot de stenen wortel schieten’ snakt naar hoop en beloften en die krijgen dan ook aan het eind van de meest positieve reeks hun beslag, uiten zich zelfs, hoe consistent weer, in de taal van de nieuwe omgeving. “Ziljen”, “oopm sjhovers” en “moteurs” zijn natuurlijk geen willekeurig gekozen begrippen, elk van de drie vertegenwoordigt een aspect van het nieuwe bestaan: reizen met de wind, (waar in een Brussels gedicht nog sprake is van “geen wind die wacht”) de elementen trotserend (in tegenstelling tot “geboeid”, “gesnoerd” en “hermetisch”) en vaart kunnen maken (in plaats van stil te liggen “in dortoirs”). Knap gedaan Cailliau!

Met de door de dichter zelfs vermeerderde hoop verdiept zich ook de principiële titel van de bundel: tot de woorden wortel schieten in de lezer!


PHILIPPE CAILLIAU; ‘Tot de stenen wortel schieten’; 64 pagina’s; Kleinood & Grootzeer, Bergen op Zoom; 2016; ISBN: 978-90-76644-79-0; NUR: 306. € 16,00.


www.alberthagenaars.nl

Lees ook:
De kritiek van Albert Hagenaars op 'Zwijgboek' van Philippe Cailliau:


En zie ook:
Frozen Poets - Beelden, graven en andere sporen van dichters

Nederlandstalige gedichten in Indonesische vertaling


100 JAAR BOEKHANDEL VAN DER KREEK


EEN SYMBOOL VAN UITHOUDINGSVERMOGEN EN FLEXIBILITEIT

Door Albert Hagenaars

Toen ik als klein ‘kulleke’ in Bergen op Zoom voor het eerst de vijf of zes meter lange vulpen op een gevel in de Lievevrouwestraat ontwaarde, was dat niets minder dan een openbaring! Om diverse redenen verbind ik die ontdekking ruim een halve eeuw later graag met de dagelijkse schrijflessen van broeder Willibrord op de Sint-Aloysiusschool, slechts anderhalve straat verwijderd van dit symbool bij uitstek van het schrijven.

De herinneringen aan het leren lezen en schrijven, eerst met aparte kartonnen letters op vilt en daarna met een kroontjespen in een gelinieerd cahier, zijn nog steeds scherp. Met gemak zijn de naar ijzer ruikende inkt en het geluid van het krassen weer op te roepen. Hoe graag doopte ik de pen in het tafelpotje, trok ik beverig spinnentekens die elk voor een klank stonden. Het was een van de grootste wonderen van mijn kinderjaren. Pas later besefte ik dat het op die gevel niet om een autonome pen ging, maar om een wervingselement. Achter de gevel waaruit de pen zich verhief, bevond zich namelijk Kantoorboekhandel Van der Kreek, nog altijd een begrip in West-Brabant.




Ereboog ter gelegenheid van het bezoek van koningin Wilhelmina in 1923. Rechts de pen. Collectie West-Brabants Archief.



In 2016 mocht deze winkel de kaap van honderd jaar ronden. Mede doordat daar wegens de crisis geen ruchtbaarheid aan werd gegeven, verschijnt dit artikel met licht terugwerkende kracht. Een eeuw oude boekenwinkel is immers een zeldzaamheid geworden en verdient aandacht. Wie nu de zaak binnenstapt, en dat kan zowel vanuit de Lievevrouwestraat als vanuit de Moeregrebstraat, hoeft niet lang te zoeken. Dankzij de grote oppervlakte, een breedte van twee samengetrokken middeleeuwse herenhuizen en een diepte van ruim zestig meter, is gauw duidelijk waar alles staat. De drie hoofdafdelingen lopen als vanzelf in elkaar over.

Aan de zijde van de Lievevrouwestraat staan de boeken. Bij binnenkomst vind je lectuur en literatuur, inclusief aardig wat Engelstalige romans. Daar staat dus ook de poëzie, het Doornroosje van de letteren voor ondergetekende die meteen de namen noteerde van Anna Enquist, Eva Gerlach, Jan Hanlo, Joke van Leeuwen, Pablo Neruda, Chaja Polak en Wisława Szymborska. Van Toon Tellegen staan er zowaar zelfs veertien bundels. Verder bevinden zich in dat gedeelte van de winkel de tijdschriften en molens met wenskaarten. Jeugdliteratuur staat apart in wat vroeger het buurhuis was, van de rest gescheiden door onder meer uitgaven over sport, reizen en taalkunde. E-books, niet te zien, vormen om begrijpelijke redenen maar een klein deel van de omzet. Daarvan wordt beleidsmatig dan ook geen speerpunt gemaakt.

Aan de kant van de Moeregrebstraat vind je de kunstenaarsbenodigdheden. En tussen beide afdelingen in, waar vroeger tuinen lagen, bevinden zich de kantoorartikelen. Tot de bedrijfsruimte behoren verder nog een garage, een kantoor en een licht verwilderde, lastig te bereiken tuin waarin het niettemin aangenaam lezen moet zijn.

De zaak werd opgericht door Wilhelmus van der Kreek, die al in 1901 een schildersbedrijf had op het adres Burgemeester van Hasseltstraat nr. L85. Hij was actief met ‘schilderwzh, meubelen en rijtuigen beschilderen’. Volgens een artikel in de toenmalige Bergse Courant deed zijn vrouw in koloniale waren en boeken. Hij was het die in 1914 de panden Lievevrouwestraat 12 en14 kocht, respectievelijk De Harpe en Het Cleyn Hoefijser. Ook Lievevrouwestraat 16 ofwel Het Groot Hoefijser, waarin onder andere een sigarenwinkel en de lokaal befaamde ijssalon van Americo Pietro Talamini waren gevestigd, behoorde een tijdlang tot de zaak. Volgens het aan deze straat gewijde boek van restauratiearchitect Jan Weyts stonden ter plaatse al aan het eind van de veertiende eeuw huizen.

Zoon en opvolger Jan van Willem van der Kreek had alleen dochters. Toen hij ermee stopte, kwam de zaak in handen van Toine Magnee senior en Hans Sterk. Deze nieuwe uitbaters begonnen met de verkoop van schilderbenodigdheden. Dat was waarschijnlijk ook nodig, want anders dan tegenwoordig – nu zijn er nog maar twee serieuze boekwinkels in de stad – was er een breed concurrentiefront dat onder meer bestond uit uitgeverij/boekhandel Harte (slechts een paar deuren verderop), Heijstraten, Frans Verlinden en vooral Janssen. Waar Van der Kreek zich algemeen profileerde, richtte Janssen zich op de ‘roomsche klanten’. Het was tenslotte de glorietijd van de Verzuiling.

Maar ook toen al onderscheidde Van der Kreek zich in elk geval visueel van de mededingers door die majestueuze pen. Op een foto uit 1923, genomen ter gelegenheid van het bezoek van koningin Wilhelmina aan Bergen op Zoom, is hij tenminste al te zien. Sommigen menen dat de pen werd gemaakt door familielid Nicolaas van der Kreek (1896-1967). Wie hem vervaardigde is zonder nader onderzoek echter niet meer na te gaan. Waarschijnlijk is wel dat Nicolaas van der Kreek, in 1923 winnaar van de gerenommeerde Prix de Rome, voor het ontwerp heeft gezorgd. Wat vaststaat is dat de Bergse kunstenaar Albert Moelker in 2001 – bij het vijfentachtigjarig bestaan van de winkel – met medewerking van de firma Bedaf een kopie maakte met een punt en clip van 24 karaats bladgoud, zodat het icoon nog altijd is te bewonderen.

Over de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog voor de winkel is bij betrokkenen niet veel bekend. De zaak kon ondanks schaarste van bepaalde producten wel blijven bestaan. In 1944, de stad was al door de Canadezen bevrijd, trof een V1 een blok bebouwing inclusief politiebureau en kantongerecht aan de Stationsstraat. In 1950 werd op het ontstane gat een voor die tijd kolossale vestiging van V&D gerealiseerd, die als noviteit meteen veel klanten trok en die tot voor kort een pijler van het commerciële hart van Bergen op Zoom vormde.

In diezelfde periode werd een deel van de oude haven gedempt, waardoor diverse economische functies in het westelijk stadsdeel wegvielen. Het gevolg van deze ontwikkelingen was dat het winkelcentrum een flinke ruk naar het oosten maakte. In de ooit zo drukke Lievevrouwestraat stierf de detailhandel grotendeels af. Zij maakte plaats voor populaire, maar vaak overlast gevende horeca. Van der Kreek bleef als een van de weinige winkels overeind, inmiddels zelfs met een antiquariaat van schilderijen en meubels erbij. Op advies van Magnee sr. werd nu meer dan ooit ingezet op de verkoop van kantoorartikelen.




Het bedrijf in de jaren vijftig. Collectie West-Brabants Archief.



Ondanks de nu meer geïsoleerde ligging in het winkelgebied, kreeg de winkel de sterkste impuls van zijn bestaan in de jaren zeventig. Het Europese hoofdkantoor van het Amerikaanse bedrijf General Electric Plastics (GEP) vestigde zich dankzij een riante investeringsregeling op het nieuwe industriegebied Theodorushaven in Bergen op Zoom. Het duurde niet lang voordat GEP, inmiddels overgenomen door de Saoedische chemiereus Sabic, het grootste industriële bedrijf van West-Brabant was. De bestellingen van kantoormeubelen en toebehoren rolden bij Van der Kreek binnen.

In 1974 trad Peter van Huffel aan, aanvankelijk als de nieuwe boekhouder. Ook 1980 was een belangrijk jaar. De zaak werd een BV en Moeregrebstraat 3, waar tot dan een autobandenhandel zat, werd erbij getrokken, wat de diepte van de winkelruimte zoals al vermeld op ruim zestig meter bracht. Korte tijd prijkten daar de kantoormeubelen en kantoormachines. Later werden die verplaatst en vervangen door de kunstschildermaterialen, die op hun beurt uit Lievevrouwestraat 16 verdwenen omdat dat pand werd verkocht. De kosten van de verbouwing drukten zwaar op het budget maar tegelijkertijd ontwikkelde zich een economische crisis.
Aardig om te vertellen is dat in 1986 het boek Op gevels geschreven van Maurits van Rooijen verscheen. Het betrof een uitgave van Shell over geveltekens zoals de gaper voor apotheken en barbierstokken voor kapperszaken. Deze auteur vond de pen van Van der Kreek evenzeer opmerkelijk genoeg om er aandacht aan te schenken.




Toine Magnee jr. (links) ontvangt een graag geziene klant. Hans Heestermans zat op het Moller-Lyceum in Bergen op Zoom, was onder meer redacteur van het 'Woordenboek der Nederlandsche Taal', hoofdredacteur van 'De Grote Van Dale' en publiceerde o.a. het 'Erotisch Woordenboek', het 'Bergs Woordenboek' en het 'Leids Woordenboek'. Hij ontving in 1989 de Sakko-Prijs voor zijn studie over het dialect van Bergen op Zoom.
Fotograaf: onbekend.




Ook in 1986 ging Hans Sterk met pensioen, waarop Peter van Huffel diens aandelenpakket overnam. Hij werd compagnon van Toine Magnee jr. en behalve voor de financiële administratie nu ook verantwoordelijk voor de boekhandel en de kunstschilderafdeling. Magnee jr. bleef zich richten op de kantoorartikelen. Het waren ook toen al moeilijke jaren en tot overmaat van ramp week topklant General Electric uit naar een andere leverancier. Niettemin werd de zaak in 1992 volledig verbouwd.

Eenmaal in rustiger vaarwater, in 1997, trad Magnee jr. terug en kwamen ook zijn aandelen in handen van Van Huffel. Die werd daarmee eigenaar/algemeen directeur. Een van de wapenfeiten waar hij zich op wil laten voorstaan, is het opzetten, rond 2000, van een speciale afdeling voor pennen en luxe artikelen zoals lederwaren en bureau-accessoires in het hoogste prijssegment. Deze investering achtte hij nodig omdat de bedrijfsmatige levering van kantoorartikelen nog verder terugliep. Het bleek een juiste keuze, want deze specialisering genereerde extra winst. En niet alleen op deze afdeling was er sprake van verdieping.

Jaren na dato reageerde Van Huffel als volgt: “We kregen mede de wind in de zeilen doordat we regiodealer werden van het prestigieuze pennenmerk Mont Blanc. Het verkrijgen van dat dealerschap was erg belangrijk voor het imago. Ook de afdeling Engelse literatuur was door zijn omvang uniek voor Bergen op Zoom. Tenslotte konden we tevens bij de kunstschildersmaterialen uitpakken met enkele exclusieve merken. Die jaren zie ik als de meest succesvolle voor de verkoop van boeken, kunstschildermaterialen en kantoorartikelen. Om als boek- en kantoorboekhandel succesvol te zijn moet je mijns inziens inspelen op de markt, niet bang zijn om in nieuwe ontwikkelingen mee te gaan en je specialiseren. Eenheidsworsten zijn er al genoeg.”

Successen en problemen bleven elkaar afwisselen. Een voorbeeld van de laatste categorie is nog de verkoop van schoolboeken. Gedurende lange tijd was Van der Kreek voor de Brabantse Wal en delen van Zeeland het aangewezen adres voor schoolboeken. Grote klanten waren bijvoorbeeld de middelbare scholen het Moller Lyceum, het Roncalli en Regionale Scholengemeenschap ’t Rijks. Door de opkomst van Van Dijks Boekhuis en andere grotere spelers rond 2000 droogde deze belangrijke bron van inkomsten grotendeels op.

Het jaar 2008 werd eveneens een knooppunt in de geschiedenis. Van Huffel verkocht de zaak aan Arif Kaya van de bedrijven Asya BV en Van den Corput Breda en Bergen op Zoom, eveneens actief in het wereldje van kantoorbenodigdheden. Ook deze verandering kwam voort uit een persoonlijk contact; Kaya licht desgevraagd toe dat zijn vader en Magnee jr. jarenlang goede vrienden waren.

Enkele maanden hierna verscheen Harry de Crom als bedrijfsleider op het toneel. Hij was geen onbekende, want hij had zijn sporen al ruimschoots verdiend bij de voormalige concurrent Heijstraten en bij de Nederlandse Kantoorservice in Zevenbergen. In die hoedanigheid kende hij uiteraard Arif Kaya. Ook Ad Quist, boegbeeld van boekhandel Quist, en medewerkster Margreet Touw (al 37 jaar actief bij Van der Kreek) waren in het begin van hun carrière werkzaam voor Heijstraten. Van de verdwenen winkel Janssen kwam bovendien Antoinette van Broekhoven naar Van der Kreek. Het mag duidelijk zijn dat het boeken- en kantoorveld in Bergen op Zoom door slechts een klein aantal spelers is en wordt bepaald. Ons kent ons.

Gezien de aanwakkerende financiële crisis vond de overname door Asya BV plaats op het slechtst denkbare moment. Toch kon het bedrijf, nu beter beschermd, overleven door “het maken van moeilijke, maar verstandige keuzes” aldus De Crom. Zo werden openstaande vacatures door hem niet meer opgevuld, waardoor in elk geval geen vaste medewerkers hoefden te worden ontslagen.

Van der Kreek vond aansluiting bij Quantore, het grootste distributiecentrum van de Benelux op het gebied van kantoorartikelen. De allesbehalve originele, maar wel pakkende slogan daarvan luidt: Kantoorartikelen voor iedereen. Ook nog midden in deze penibele periode werd in de zaak een postagentschap geopend. De Crom wilde aanvankelijk alleen postzegels bij de wenskaarten gaan verkopen, maar werd tot zijn verrassing door Post NL gevraagd om meer handelingen mogelijk te maken. Dat leverde uiteraard veel extra aanloop in de winkel op.

Momenteel bestaat het team uit vier voltijds medewerkers en evenzoveel collega’s met een deeltijdaanstelling. Omdat de problemen slechts langzaam wegtrokken – pas eind 2016 kwam er een keerpunt ten goede in de omzet – besloot dit team het honderdjarig bestaan niet te vieren.

Nu de crisis grotendeels voorbij lijkt, is er weer volop vertrouwen in de toekomst. Recent is het assortiment aangepast en kon de inrichting deels worden vernieuwd. De Crom legt uit dat er meer investeringen kunnen volgen. Een en ander is volgens de bedrijfsleider afhankelijk van wat de gemeente wil met haar beleid voor de aanloopstraten waar ook de Lievevrouwestraat toe behoort. Het amper tien jaar geleden afgepaalde kerngebied van het winkelcentrum (de twee flaneerlussen van het Vierkantje en de Parade die samen De Acht worden genoemd) staat ernstig onder druk. De grootste gevaren zijn de snel groeiende aantrekkingskracht van grotere steden – lees Antwerpen en Rotterdam – en de online verkoop. Hoe onzeker de tijden ook zijn geworden, voor in elk geval de komende paar jaar lijkt Van der Kreek vast op koers te liggen.

De promotiepen aan de gevel mag dan voor velen al tot een relict van een voorgoed voorbij en voor de jongsten zelfs hopeloos ouderwets tijdperk zijn geworden, tegelijkertijd vormt hij als getuige van de ene opleving na de andere een trots symbool van uithoudingsvermogen en flexibiliteit.




Een advertentie van Van der Kreek & Zoon uit 1925, t.g.v. een handelsbeurs. Collectie: Frank van den Bosch.



www.alberthagenaars.nl

Zie ook:
Frozen Poets - Beelden, graven en andere sporen van dichters

Nederlandstalige gedichten in Indonesische vertaling



dinsdag 17 oktober 2017

BARNEY AGERBEEK - Een warme oostenwind



Foto: © Albert Hagenaars



EEN TWEEVOUDIG CREDO

Het heeft er alle schijn van dat Barney Agerbeek (1948, Surabaya) als late debutant aan een inhaalslag bezig is. Hij debuteerde in 2013 met ‘Schaduw van schijn’ en sindsdien is er vrijwel elk jaar een titel verschenen, verdeeld over verhalen, een roman en poëzie. Wie zijn werk kent, al is het maar één boek, weet dat de auteur gefascineerd is door verschillende culturen, preciezer gezegd, door in elkaar verglijdende maar ook grijpende en bijtende waardensystemen.

In zijn eerste poëziebundel ‘Rood en wit met blauw’, eveneens verschenen bij “de kleurrijkste uitgeverij van het land”, zinderde de spanning tussen zijn geboorteland Indonesië, dat hij vaak bezoekt, en Nederland, waar hij al vanaf zijn vierde woont.
In ‘Een warme oostenwind’, van een intrigerende omslag voorzien door Jan van Waarden, werkte hij een drieslag uit. Nu is er ook de kruiende werking van Polen, niet alleen het moederland van Agerbeeks echtgenote, die al tientallen jaren geleden onder moeilijke omstandigheden “overkwam”, maar ook dat van een paar honderdduizend arbeidsimmigranten die in veel gevallen eveneens verkozen te blijven. Net als o.a. de Indonesiërs en Indo’s, de Turken en Marokkanen, de Surinamers en Antillianen leveren zij een bijdrage aan de ontwikkeling van Nederland, oefenen ze er een culturele invloed op uit.
Daarom ditmaal de meeste aandacht voor deze toegevoegde Poolse waarde, die, evengoed als de Indonesische, oosterse warmte aanvoert. Dat gebeurt, literair gesproken, ook letterlijk want aan het begin van het boek staat een citaat van Adam Zagajewski en achterin zijn twee gedichten tweetalig opgenomen. Bovendien is een surrealistisch aandoende illustratie van Anna Gwiazda afgebeeld, zus van Andrzej Gwiazda, voormalig partijstrateeg van Solidarność. Op haar tekening groeien wortels dwars door een verstikkende ijslaag. Als dat geen symbool van hoop is! Hij staat, allesbehalve toevallig, naast een gedicht met de titel ‘Tralies in de deuren’.

Het citaat, vertaald door Gerard Rasch, luidt als volgt:



Bezing de verminkte wereld
en het grijze veertje, dat een lijster heeft verloren,
en het zachte licht dat dwaalt en verschijnt
en steeds terugkomt
.



Een fragment uit het tweetalige ‘Bjirjóza bjirjóza bjirjóza’ bevat eveneens een aan de natuur ontleend beeld maar dat refereert aan het belang van samenwerking:



bjirjózy rjédko stoját odinóko
obýtsjno vdwojóm i vtrojóm
dróeg oe dróega, íli vsje vmjéstje v ljesóe




In het Nederlands wordt dat:



berken staan zelden alleen
meestal met z’n tweeën of drieën
bij elkaar of samen in een bos
.



Voor het geval iemand de boodschap mocht ontgaan heeft Agerbeek hier wel heel sterk de nadruk op gelegd. Waar “met z’n tweeën of drieën” al genoeg is, genoeg zou moeten zijn, geeft hij nog een aanvulling: “bij elkaar” en “samen”, gescheiden door het voegwoord “of”, zodat hij de lezer aanspoort eens goed na te denken over het verschil tussen die twee toevoegingen. Je kunt er een cumulatie in zien want “bij elkaar” is sterker dan de voorgaande woorden maar “samen” het sterkst van de drie.







Als geboren verteller weet Agerbeek zijn zinnen een aansprekende melodie te geven. Complete fragmenten zijn soms kleine verhaaltjes. De overdracht van de boodschap is voor hem belangrijker dan het taalspel op zich. Technische foefjes, en die zijn er volop (zie onder), hebben een dienend karakter, staan niet op zich. Dat zou te vrijblijvend zijn.
Niet voor niets nam hij een principiële uitspraak van de Chinese kunstenaar Ai Weiwei over: “Als mijn kunst niks te maken heeft met de pijn en het verdriet van de mensen, wat is dan nog het belang van kunst?”

Agerbeek laat de vernieling van Rotterdam reflecteren in die van Warschau, verwijst naar de opkomst en overwinning van Solidarność maar ook naar de repressie en het doorgeslagen eigenbelang die momenteel door Polen vlagen. In een interview merkte hij daarover treffend op: "Die euforie is heden ten dage uitgemond in xenofobie, sluiting van de grenzen voor vluchtelingen. En de machtige, katholieke kerk zwijgt in alle talen. Dat is ‘de witte wereld en het scheve kruis’ uit het gedicht Zwarte Madonna."

Meer dan enige andere tekst in het boek belichaamt genoemd gedicht over de jaarlijks door miljoenen pelgrims bezichtigde icoon in het klooster Jasna Góra de ziel van het traditionele Polen, die maar al te goed het belang van geopolitieke beslissingen en geweld kent maar minstens zo sterk doordrongen is van het verlangen naar innigheid, harmonie en respect voor andere bronnen van ervaring dan de zintuiglijk waarneembare wereld. Daardoor fungeert dit vers tevens als een tegenhanger van het aanwakkeren van onrust en angst en verdeeldheid:



ZWARTE MADONNA

hoog de stilte van het glas in lood
zwak kaarslicht glinstert in een nis

verspreid, het prevelen van gebeden
met vroom gevouwen handen

oneindig, de adem ingehouden
bij haar verschijning

vloeibaar, dissonanten lossen op
in verleidelijke leegte

als moeder van donker en licht
zorgt zij voor het tegenwicht

in een witte wereld waar het kruis scheef hangt
Matka Boska Częstochowkska




Agerbeek wil zich dan niet laten voorstaan op het principe van kunst omwille van de kunst, het is mede door zijn literaire techniek dat deze strofen het meest poëtische moment van de bundel vormen: let bijvoorbeeld op het spel van zwart en wit, donker en licht, groot en klein (kerkschip en nis), de suggestieve klankovereenkomst in oneindig – ingehouden – verschijning, het eindrijm in licht en tegenwicht en de prolepsis van de woorden verspreid – oneindig – vloeibaar, die zo een onderliggende bedoeling door laten schemeren.
Ook al is de zegging bedrieglijk eenvoudig, dit alles zit ingenieus in elkaar. De vakmatige, vooruit artistieke aanpak valt niet op maar vervult wel juist hierdoor versterkt z’n taak.

Kunst kan niet zonder aansluiting op vreugde, pijn, geluk en verdriet nee maar omgekeerd zou de menselijke ervaring onvergelijkbaar veel armer zijn zonder het instinct en de vaardigheden die kunst tot een inzichtelijke beleving kunnen maken.

Barney Agerbeek legt er in alles wat hij schrijft getuigenis van af dat dit ook zíjn credo is.


BARNEY AGERBEEK; ‘Een warme oostenwind’; 72 pagina’s; Uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem; 2017; ISBN: 978-90-62-659579.



www.alberthagenaars.nl

Zie ook:
Frozen Poets - Beelden, graven en andere sporen van dichters

Nederlandstalige gedichten in Indonesische vertaling


zaterdag 27 mei 2017

ALAIN DELMOTTE - Warhoofds gekkenwerk



Foto: Geertje Hoefnagels


EEN ODE AAN HET POETISCH VERNUFT

Albert Hagenaars over 'Warhoofds gekkenwerk'

Er bestaan verschillende meningen over wat poëtisch proza zou mogen heten of hoe prozagedichten beschreven kunnen worden. Meestal wordt gewezen op het belang van een bovengemiddelde frequentie van beeldspraak en een sterk aangezet ritme, lees de muzikaliteit, waarmee het amfibische genre zich onderscheidt van korte verhalen. Het ontbreken van formele kenmerken als strofen wijst dan op het verschil met poëzie.

Alain Delmotte (1957, Kortrijk), die al meer met dit bijltje heeft gehakt, kiest voor de benaming prozagedichten maar voegt er "prozastukken, schetsen, notities, improvisaties, clowneske ingrepen, satire, hyperbolen" aan toe als ondertitel van zijn bundel 'Warhoofds gekkenwerk'. Los van het feit dat deze elementen met een zekere tolerantie ook allemaal wel gezien kunnen worden in zijn nieuwe boek, geeft de opsomming tevens aan dat we vooral niet te zwaar moeten tillen aan een definiëring. Het gaat om de beleving van de leespraktijk maar die staat gapend wijd open op het leven buiten boek en scherm en mag zich versterkt weten door de verwijzing in het dankwoord naar Buster Keaton (vaudeville-artiest, comedian en regisseur), Henri Michaux (auteur en schilder met een grote aandacht voor psychische experimenten) en Clément Rosset (filosoof en auteur, die zich richtte op o.a. de verhouding tussen werkelijkheid en illusie).

De ondertitel suggereert een ratjetoe aan tekstmateriaal maar de opzet van het boek is alvast opmerkelijk vormvast. Delmotte serveert 9 cycli of, afhankelijk van het standpunt dat je wilt innemen, 9 hoofdstukken. Die zijn onderverdeeld in genummerde strofen. Of alinea's. De kortste tellen slechts enkele woorden, de langste vier regels, behalve in het slotdeel. Meestal betreft het vier tot 10 alinea's, in één geval 19 en in het slotstuk weet je dat niet zeker omdat hier ineens geen nummering meer is en de tekst doorloopt op de volgende pagina. Dit laatste deel onderscheidt zich ook nog eens omdat hier de langste alinea's staan, met een maximum van 7 regels. Een finale!

Elk bundeldeel heeft een titel en steevast een ondertitel. Deel 1 heet bijvoorbeeld ‘Petit portrait à propos d'une poire’. Er onder staat ‘Warhoofd schetst zijn zelfportret’. Het laatste deel is getiteld ‘Vandaag doet ons dat nog geen kwaad’ gevolgd door ‘Warhoofd improviseert een toespraak en heft zonder morsen het glas’. In elke ondertitel is sprake van een personage Warhoofd, wat verwijst naar onvermogen of onwil om logisch te opereren. Dat er 9 delen zijn heeft wellicht te maken met de vierde titel: ‘Negen levens - Warhoofd probeert die alle uit’. Dan is de mogelijkheid niet denkbeeldig dat Delmotte hier naar zichzelf of naar de dichter in hem verwijst.

De eerste drie alinea's van het openingsdeel luiden als volgt:


1
Hij is bedreven in het nooit au sérieux worden genomen. Dat er met hem geen rekening wordt gehouden, hij smeekt erom, het is zijn zegen.

Van opzij worden geschoven maakt hij een zaak. Plichtsgetrouw behoort zich laten bedotten tot zijn dagelijkse taken.

Koste wat kost kickt hij op zich uitgerangeerd voelen.

Kunstzinnig en deskundig in gekkenwerk trekt hij weloverwogen meestal aan het kortste eind.

Dat hij vandaag alweer geen gehoor kon vinden, maakt zijn dag goed. Maakt zijn dag af.



2
Stoten onder de gordel: voor geen geld in de wereld zou hij die willen missen.

Blunders, flaters, zijn mond voorbijpraten, ondoordachte uitlatingen, allemaal maakt het, slim bedacht, deel uit van zijn tactisch arsenaal.

Voor de voeten worden gelopen, is hem een niet te verwoorden zaligheid: hij tekent ervoor.

Noodlot houdt hem bezig. De worp, de gril, de meewarige lol trekt hem daarin aan.

Langs de weg die hij gaat, trapt hij in elke drol. Hij vermoedt dat het de zijne zijn.

Dankbaar is hij voor elke tegenslag en voor wie hem gretig kan manipuleren.



3
Hij is schatrijk aan sores.

Boegeroep zijn richting uit? Hij geeft het toe - een genoegen.

Hij troost zich vaak met de gedachte aan een tegen hem gericht complot.



Duidelijk is dat Delmotte zich niet veel gelegen laat liggen aan lyrische hulpmiddelen, rijm bijvoorbeeld of harmonieuze ritme-patronen. Waar wel klankovereenkomst is, doet dat eerder als toeval aan, zoals in "zijne zijn" of de herhaalde oe-klanken in de voorlaatste regel. Hoe knap de uitgave technisch ook in elkaar is gestoken, het toeval zou natuurlijk niet mogen ontbreken in het rijtje van de ondertitel want het is één van de stutten van het absurde. De vraag is wel in welke mate de doorgaans alles controlerende Delmotte toeval wil toelaten.
Ook sfeer, nog zorgvuldig gezocht in de eerste probeersels van één van de grondleggers van het genre, 'Le Spleen de Paris' van Charles Baudelaire, lijkt niet te zijn beoogd. Toch zal de lezer moeten beamen dat het hier niet zomaar om proza gaat. Daarvoor zijn allereerst de vele witregels en het ontbreken van een causale samenhang en chronologie tussen de mededelingen verantwoordelijk. Daarnaast valt de voorkeur voor inversie op. Tenslotte spant Delmotte vaak passieve zinnen voor z’n karretje, in de eerste drie zinnen al drie maal!







In de beschrijving van het hij-personage vinden de handelingen simultaan plaats, er is nauwelijks ontwikkeling, wat juist wel een kenmerk is van wat we onder gangbaar proza verstaan. De nadruk komt te liggen op het zijn en, gekoppeld aan de lijdende vorm, op het ondergaan. Maar pas op, ook dit wordt gebruikt, Warhoofd waarschuwt niet voor niets: “allemaal maakt het, slim bedacht, deel uit van zijn tactisch arsenaal.”

Het woord inversie viel al. Die komt bij Delmotte vaak niet natuurlijk over maar gezocht, zelfs doorwrocht zoals in “Van opzij worden geschoven maakt hij een zaak”. Zo'n zin leest niet fijn, integendeel. De schrijver is er dan ook niet op uit om de lezer te behagen, in een aangenaam badje van herkenning te leggen, maar om te ontregelen, de lezer te dwingen na te denken, te herlezen, door het karige gebruik van signaalwoorden te prikkelen tot het aangaan van persoonlijke verbanden, kortom om op avontuur te gaan. Geen dankbaarder perspectief voor zo'n aanpak dan dat van een warhoofd, een nar, iemand die buiten de dagelijkse werkelijkheid gehouden wordt, en die dat, autonoom als hij moet zijn, "een zegen" vindt, het op zijn eigen manier exploiteert, zoals elke dichter moet doen. Delmotte gaat ver in het determineren van zijn hoofdpersoon. Het hele openingsdeel is er alvast aan gewijd.

Deel twee is getooid met de vermakelijke titels ‘Zeg eens wonden’ – ‘Warhoofds vragen voor een interview met de wonden’. Hierin gaat hij over op het subject jullie, dat veelvuldig wordt gebruikt. Hier ook veranderen de mededelingen in vraagzinnen. De openingsstrofe luidt:



Zeg eens wonden: is pijn jullie tot bezieling? Is pijn jullie bewustzijn? Of zijn jullie het bewustzijn van pijn? Want, ja, hebben jullie wel weet van jullie bestaan als wonden?



In de verantwoording achterin staat opgenomen dat dit deel z'n aanleiding vond in 'De kruisiging' van Matthias Grünewalde (ca 1470 – 1528), een retabel dat tegenwoordig in het Unterlinden-museum in Colmar is te vinden.
We zien dus dat Warhoofd weliswaar wonden aanspreekt maar door het wegvallen van de aanhef in het vervolg voelen de lezers zich, al is het dan misschien onderhuids, steeds zélf aangesproken. Ze worden gaandeweg wonden, of beschadigde personages. Ze zullen in de hagel van vragen deels bewust en deels onbewust toch antwoorden proberen te vinden. Wat te zeggen van:



Vormen jullie eensgezind een welwillende gemeenschap van kwaadwilligheid? Beconcurreren jullie elkaar? En willen jullie allemaal de diepste zijn?

Planten jullie je voort? Planten jullie je in iemands kinderen voort? Of zijn jullie wat iemand nalaat? Wat iemand bij zijn aanvang erft?

Legt iemand jullie een limiet op? Of zoeken jullie al naargelang de omstandigheden zelf de limiet uit? Of zijn jullie datgene wat in de limiet is bereikt?




Ik vroeg me aanvankelijk af of het aanwenden van een enkelvoudige aanspreektitel, jij of u of eventueel gij, niet directer en daarmee effectiever was geweest maar dat zou afbreuk doen aan de veelvuldigheid van de soorten schade. Daarnaast vervalt dan het gesuggereerde belang van het sociale handelen, de spanning tussen het individu en de gemeenschap. In dit opzicht ontpopt Delmotte zich als een cultuurcriticus. Dit is een geschikt moment om te wijzen op de veel voorkomende toepassing van het wederkerende voornaamwoord 'zich', de woordsoort par excellence voor reflectie.

Deel 3 bevat geen enkele vraagzin meer. Noch een aanhef, óf die is paradigmatisch geworden: wie het schoentje past, trekke het aan. Onderstaand fragment past wonderwel bij deze veronderstelling:



Voor wie ernaar op zoek mocht zijn: van een handvol tirannen werden in vrieskamers zaadcellen vergaard. Beschikbaar zijn eicellen van zowel Medusa als Medea.

Wie in vitro een en ander weet te combineren: succes ermee
.



Zo kent elk deel weer andere uitgangspunten, en deels ook stijleigenaardigheden. Allemaal bij elkaar genomen vormen ze een heterogeen geheel van een onderzoek naar de staat van zijn van de mens, van de groep, van de maatschappij.

Alain Delmotte heeft niettegenstaande zijn humor, variërend van lichte spot tot absurdisme, niet bepaald een vrolijke bundel samengesteld. De wereld om ons heen is dan ook niet bepaald een Cocagne. Net als andere kunstdisciplines is het de poëzie evenwel gegeven om met een dergelijk uitgangspunt een domein te creëren waarin de lezer of luisteraar de positieve sensatie van het ontdekken kan ondergaan, tal van Aha-erlebnissen omzetten, in zichzelf een Keaton of Rosset of, met evenveel geldigheid, een Delmotte ontwaren.

Zoveel is helder, ‘Warhoofds gekkenwerk’ is een originele en, gezien o.a. Delmottes soortgelijke publicaties, ook authentiek overkomende bundel. Niemand schrijft als hij. Oorspronkelijk werk is dan wel per definitie interessant maar niet per definitie literair geslaagd. In dit geval hoeft over de kwaliteit echter geen twijfel te bestaan. Daarvoor zijn er teveel factoren die in Delmottes voordeel werken. Ik noem: de inzet, de uitvoering, de vasthoudendheid en, door dit alles heen, het vernuft. Ja, ‘Warhoofds gekkenwerk’ kun je ook een ode aan het poëtisch vernuft noemen. Bij deze!



Alain Delmotte, Warhoofds gekkenwerk; Uitgave: Stanza; 2017; 64 pp; ISBN: 978-94-90401-34-4



Klik hier voor de recensie van Dirk De Geest

Klik hier voor de recensie van Erick Kila

Klik hier voor de recensie van Hans Puper


Zie ook:
Frozen Poets - Beelden, graven en andere sporen van dichters

Nederlandstalige gedichten in Indonesische vertaling

Zie voor ruim 1100 recensies, lang en kort, ook de rubriek KRITIEKEN op www.alberthagenaars.nl



zaterdag 18 maart 2017

PAUL VERLAINE - Biblio-sonnets



Foto: Willem Witsen, 1892.


IRONISCHE PASSIE VOOR BOEKEN

De Franse dichter Paul Verlaine kreeg aan het eind van de 19e eeuw een opdracht om van te smullen: het schrijven van een cyclus gedichten over bibliofilie. Frappant was dat hij zelf weinig waarde hechtte aan papieren uitgaven, het grootste deel van z’n leven nauwelijks boeken en bundels bezat. Dat zal er mede de reden van zijn geweest dat hij het onderwerp met meer ironie benaderde dan menig liefhebber lief was. Dat garandeerde een spanningsveld waar vertaler Martin Hulsenboom zijn talent op beproefde.

Door Albert Hagenaars


"De trein zet zich opnieuw in beweging en voorgoed rijden we het rijk binnen van Hare jonge Majesteit koningin Wilhelmina, eerste van die naam. // …ik ging voor het raam staan. Mens, hoe anders waren ze geworden die vergezichten! Een eindeloze bebloede, vergulde uitgestrektheid water, even vergroend door de laatste inspanning van de zonsondergang, lag onbeweeglijk voor me, met zwarte zeilen van nauwelijks bewegende boten in het groeiende donker en de neerslaande schemernevels. Dit aan de linkerkant. Rechts hetzelfde schouwspel. Een eindeloze ijzeren brug, waar de trein langzaam over reed met regelmatig geluid, machtig bijna, precies door de regelmaat in die macht...”

Met deze in 1978 door Karel Jonckheere vertaalde regels uit 'Quinze jours en Hollande' beschreef Paul Verlaine (1844 - 1896) zijn passage door Noord-Brabant, tot en met de brug bij Moerdijk. Hij kwam op uitnodiging van de voormannen van De Nieuwe Gids een paar weken naar Nederland om conferenties in Den Haag, Leiden en Amsterdam te geven. Behalve bovengenoemd boek wijdde hij ook enkele verzen aan het bezoek. Het was zijn laatste reis naar een hem onbekend land. Er volgde nog wel een trip naar Engeland, waar hij eerder had gewoond en gewerkt. Niet lang hierna boog hij zich over zijn laatste gedichten: de 'Biblio-Sonnets', die door Martin Hulsenboom onlangs in het Nederlands werden vertaald. Deze bestelde verzen over het onderwerp bibliofilie vormen het sluitstuk van een literair traject dat ondanks de korte levensduur van de maker ruim duizend gedichten telt!

Toen hij in 1866 debuteerde met 'Poèmes Saturniens', veroorzaakte die publicatie nauwelijks een rimpeling in de vijver van de Franse poëzie, en die werd dan nog vooral opgemerkt door collega-dichters. Toch bleek het achteraf een belangrijk moment. Verlaine was namelijk één van de eersten die allerlei effecten opnam die je tot het Impressionisme mag rekenen zoals: uitzonderingen op de regels van de metrumtechniek; onverwachte eindrijmen; sferische beschrijvingen; een grote rol voor de suggestie. Enkele jaren later werden ze verweven in een aantal van de beste gedichten van de Franse literatuur. Ze vormen de basis van de faam die hij aan het eind van zijn leven nog mocht ervaren.

De 'Biblio-Sonnets' hadden 24 stuks moeten tellen. De dood van Verlaine beperkte de reeks tot dertien overgeleverde teksten. Hulsenbooms vertaling is pas de vierde; Ed Schilders noemt een Tsjechische (al uit 1932), een Portugees-Braziliaanse (2010) en een Italiaanse (2015). Voor zover mij bekend vertaalde niemand één of meerdere gedichten uit de reeks in het Nederlands, ook niet Raf Tehuan in 'Paul Verlaine - Poète Maudit' (1974) en evenmin Peter Verstegen in 'Honderd Gedichten' (2014), om maar enkele vertalers te noemen die een persoonlijke keuze uit het oeuvre in boekvorm publiceerden. Dat is merkwaardig want Verlaine produceerde dan wel opvallend veel broddelwerk, vaak uit geldgebrek, maar de 'Biblio-Sonnets' behoren daar niet toe, al kunnen ze ook geen aanspraak maken op alleen lof.






Hulsenboom heeft gekozen voor een procédé waarin met name de effecten goed in het Nederlands overkomen. Hij volgt Verlaine zover mogelijk in zijn rijmschema's maar niet ten koste van de natuurlijke zegging. Zo blijft de opzet van abba - abba - ccd - ede van het openingsgedicht Bibliophilie intact maar wordt het stramien abba- abba - cdd - cee van het volgende gedicht, Bibliomanie, in de Nederlandse versie veranderd in abba - cddc - eff - egg. De vrijheid die Hulsenboom zich gunt is waarschijnlijk het resultaat van de keuze die Verlaine maakte om de a-woorden op één na op te hangen aan participia: ‘fallu’, ‘élu’, (poilu) en ‘relu’. In het Nederlands heb je nu eenmaal niet de mogelijkheid met deelwoorden die scherpte te halen. Alleen degene die op ---an eindigen komen dankzij het accent qua assonantie in de buurt maar ze missen toch evenzeer de kracht van het origineel. In dit geval heeft Hulsenboom terecht gemeend het effect te moeten evenaren met woorden als ‘punt’ en ‘kunt’, ‘smart’ en ‘bard’.


BIBLIOMANIE

Lire n'est rien: faut avoir lu; faut; l'a fallu!
Pour que si vous lisez dans les livres, qu'honore
La Reliure gaie ou sombre, que décore
Encore un blason fier ou tendre au choix élu,

Pourriez, hélas! contaminer d'un doigt poilu
D'amateur brut le vélin noble que, sonore
Abstraitement, la gloire emplit, glaive ou mandore,
D'un grand héros ou d'un poète très... relu!

C'est vrai qu'étant à la fleur de votre bel âge,
Vous auriez tort -quand l'Amour vous laisserait cois
Un instant - de ne pas lire, - tels autrefois

Nous! - les exploits et les beaux vers, quittes, hommage
Suprême, à vénérer, dès dûment reliés,
Leur majesté, leur force et... leurs dos repliés!



Met niet minder lexicale vreugde trekt Hulsenboom een gelijkwaardige Nederlandse variant uit zijn vertalershoed:



BIBLIOMANIE

Niks lezen! Uitgelezen, klaar met lezen, punt!
Want als u werken leest, waaraan de Boekband eer
Bewijst, modest of bont, gestempeld met een teer
Of trots blazoen van excellente klasse, kunt

U met een onvervaarde vinger -tot uw smart! –
Het nobele velijn bezoedelen dat, schier
Melodisch is gedecoreerd met zwaard of lier:
De glorie van een held of vaak... herlezen bard!

U zou waarachtig dwalen als u in uw gulden
Jaren - nu en dan van Eros' vuur bevrijd –
Zich niet verdiepte -zoals wij in vroeger tijd -

In epos en lyriek, voldaan om - hoogste hulde –
Voortaan voorgoed gebonden, zonder weg terug,
Te dwepen met hun pracht... en hun gebroken rug!



‘Eer’, ‘teer’ en ‘schier’ en ‘lier’ lijken qua klank zoveel op elkaar dat ik hierboven met iets meer tolerantie ook vier maal a had kunnen tikken in plaats van twee maal a en tweemaal d.
Ook is duidelijk te zien dat Hulsenboom met woorden speelt die in beide talen dezelfde werking en betekenis hebben (blason-blazoen, gloire-glorie) alsmede met woorden die een Latijnse achtergrond hebben (modest, excellent, nobel, melodisch, gedecoreerd). Net als Verlaine hanteert hij vaak archaïsmen. Sommige vallen samen met hun Franse achtergrond maar hij pakt ook heerlijk uit met Germaanstalig erfgoed (onvervaard, smart, bezoedelen, schier, bard, waarachtig). In dat opzicht evenaart de Nederlandse vertaling het origineel. Om de regels soepel te houden trekt Hulsenboom o.a. meerdere woorden samen (majesté en force bijvoorbeeld tot pracht, dat beide elementen overlapt en daarnaast macht en kracht oproept).
De grootste uitdaging moet de openingsregel echter hebben geboden, een combinatie die op elke vertalersopleiding kan worden geserveerd. De commanderende toon, ook nog eens inhoudelijk programmatisch, is met de opsomming ‘lire’, ‘faut’, ‘lu’, ‘faut’, ‘fallu’ natuurlijk rijker dan ‘lezen’, ‘uitgelezen’, ‘klaar’, ‘lezen’, ‘punt’ maar Hulsenboom weet wel dezelfde indringendheid weg te zetten, eenzelfde effect. Ook al botst het uitroepteken op de betekenis van leesteken bij ‘punt’, het probleem is stoutmoedig benaderd.
Met ‘kunt’ als bepalend enjambement-woord gaat hij ter wille van een rijm bij het woord ‘punt’ nét een stap verder dan Verlaine.

De waarde van de sonnetten berust op het originele, soms vileine perspectief op het onderwerp, let op de ironie, en de telkens opduikende virtuositeit van de oude vos die Verlaine was geworden. De inhoudelijke kant buiten beschouwing gelaten, boden ze echter geen poëtische vernieuwing. Hulsenboom weet steeds een balans te vinden tussen enerzijds het inhoudelijk navolgen van Verlaines origineel en anderzijds het aansturen op een autonome Nederlandstalige beleving.

We zijn nog ver van de integrale omzetting van Verlaines gedichten -gelet op de talrijke dieptepunten is die ook niet wenselijk- maar dankzij Hulsenbooms inzet is wél een relevant stukje taalplezier toegevoegd aan de lyrische legpuzzel van de nog immer fascinerende Pauvre Léliane, zoals de dichter zich, ook alweer spottend, met een anagram omschreef.


Paul Verlaine, Biblio-Sonnetten; Vertaald door Martin Hulsenboom; Uitgave: Stichting Cultureel Brabant; 2016; 112 pp; ISBN: 978-90-822545-2-5.

Deze recensie verscheen iets eerder, in maart 2017, in het culturele tijdschrift Brabant Cultureel.


Zie ook:
Frozen Poets - Beelden, graven en andere sporen van dichters

Nederlandstalige gedichten in Indonesische vertaling

Zie voor ruim 1100 recensies, lang en kort, ook de rubriek KRITIEKEN op www.alberthagenaars.nl