zondag 26 februari 2012

RICHARD FOQUÉ - Te laat het landschap







HET (ONT)REGELENDE DUALISME VAN RICHARD FOQUÉ

Albert Hagenaars over ‘Te laat het landschap’

Dichters en hun beide beroepen…Zou Gottfried Benn met een ander debuut net zo overrompelend de poëzie hebben kunnen binnenvallen als met 'Morgue und andere Gedichte' (1912) als hij niet arts was geweest, een carrière die hem al vroeg naar het mortuarium voerde? Zou Slauerhoff alweer drie generaties lang lezers hebben kunnen betoveren met zijn reislyriek als hij geen scheepsarts was geworden? En hoe zit dat met priesterdichters als Gezelle, Manley Hopkins en Maironis? Zouden hun gedichten net zo doortrokken zijn geraakt van al dan niet stichtelijke godsvrucht als zij niet voor de soutane hadden gekozen? Er valt heel wat te schrijven over de relatie tussen een poëtisch oeuvre en het andere beroep van de maker.

Al meteen het eerste gedicht in 'Te laat het landschap' van Richard Foqué (1943, Willebroek), in het dagelijks leven architect met inmiddels een indrukwekkende staat van dienst, zette me aan tot bovenstaande overwegingen. De eerste regels daarvan luiden:


Ik teken een landschap
een landing langs de banen
van een blinde meeuw


Nog maar enkele regels en we zitten al met een veelvoud aan vragen. Want wat is er nog landschap aan een tekening of een landing? Hebben we te maken met ‘en’ of met ‘of’; worden er anders gezegd een landschap getekend én een landing van een meeuw, of vallen die samen? Lándt er een blinde meeuw of beschouwt deze vogel de banen als zijn bezit? Bedoelt Foqué landingsbanen (aanlokkelijke vormen voor een architect) of de capriolen van een vogel in een afremmende vlucht? In het eerste geval, waarom is hier dan sprake van een landing náást de banen in plaats van erop? Voor een blinde meeuw maakt op of de langs de banen niets uit, hij kan zich visueel toch nergens op oriënteren. Zou de meeuw, een vogel die zowel op land als op zee thuis is (niet onbelangrijk gezien Foqués fascinatie voor dualiteit) een symbool van vrijheid zijn voor de ontwerper van ruimtes? In de gauwigheid ontdekte ik dat de meeuw bij de oudste Noord-Amerikaanse volkeren in elk geval verbonden wordt met zowel vertrouwen (in rust) als gratie (in beweging). Dat past wel in dit verband, zolang we ervan uitgaan dat Foqué al dan niet overbewust de meeuw koos, en niet bijvoorbeeld de raaf of de uil.

En daar houd ik dus van; heldere strakke lijnen die in onbestemdheid duiken, je tot meedenken noden en tot conclusies die niet die van de maker zijn of soms ook wel maar dat maakt dan niet meer zoveel uit want elk onderneemt z’n eigen lees- en interpretatietocht. Foqué heeft er een patent op, in deze vierde bundel tenminste, waarmee hij een tweede entree in de poëzie maakt aangezien de vorige maar liefst dertig jaar geleden verscheen! Al bladerend springen soortgelijke momenten je tegemoet:


een feit dat nergens is
ingelijst in vervreemding

(pagina 6)


Maar kwetsbaar de lijn
die het beeld verdeelt

(pagina 7)


Wat meetbaar is en getekend
kan niet meer spreken

(pagina 9)


Het is qua omvang maar een bescheiden bundel: reeks 1 telt tien strofen, 2 ook tien, 3 veertien, 4 achttien en 5 opnieuw veertien. Alle pagina’s met poëzie kennen twee strofen en alle strofen bestaan uit korte regels. De inhoudsopgave daarentegen geeft de reeksen weer met respectievelijk 5, 5, 7, 9 en 7 verzen, gebaseerd op eerste regels. Hoe dan ook wordt hier een compositie mee opgeroepen, geldt hier ordening. Foqué voert die door tot buiten z’n eigen tekst want elke reeks wordt ingeleid door een citaat van een collega, respectievelijk T.S. Eliot, Seamus Heaney, Leonardo da Vinci (ook nog eens architect), Jorge Luis Borges, Emily Dickinson. En elke aanhaling heeft direct te maken met Foqués eigen streven. Het motto dat mij het meest tot nadenken stemt is dat van Eliot, gelicht uit diens ‘Hollow Men’ uit 1925: “Between the conception / And the creation / Between the emotion / And the response / Falls the shadow”. Als dit met tweemaal het woord ‘between’ geen tweeledigheid oproept! En als om die nogmaals te benadrukken komt het woord ‘between’ in Heaneys citaat maar liefst driémaal voor. “As between clear blue and cloud / Between haystack and sunset sky, / Between oak tree and slated roof, / I had my existence. I was there. / Me in place and the place in me.” En tussen deze twee ontleningen staat dus Foqués openingsreeks. Hoe intensiever je leest, hoe beter je Foqués aanpak ziet.

Tot zover het formele aspect. Ondanks het beperkte aantal woorden van de bundel wemelt het weliswaar van precieus beschreven bewegingen en ontwerpen maar staan haaks hierop de emoties en gewaarwordingen die ermee opengesneden worden. Dat levert intrigerende contrasten op. Een van de treffendste staat op pagina 26, in de reeks ‘Door de tijd verlaten’:


De weg een spoor langs de houtkant
als je de stad verlaat langs het water
achterlaat een gebroken zomer
de pijn die door de riolen stroomt.



Er zijn niet veel dichters die zo nadrukkelijk in de weer zijn met fysieke aanwijzingen, en fysiek bedoel ik hier in, jawel, twee betekenissen, geografisch en lichamelijk. Enerzijds de lineaire structuren, alle drie voorbijgaand en tegelijk gebonden aan dezelfde locatie, anderzijds de wanorde van een gebroken zomer en pijn.

Foqué doet niet moeilijk; elke lezer begrijpt zijn woorden, volgt zijn duidelijke leeswegen, laat zich meevoeren. Het is dan ook op de knooppunten, van heldere beschrijving en ontregelende emotie, dat het poëtisch begint te wroeten en woelen. Dat afgezet tegen de titel met haar twee dimensies, die van tijd (te laat) en die van plaats (het landschap), maakt dat we thematisch te maken hebben met het conflict tussen verstand en gevoel, tussen Apollo en Dionysos. Het landschap, voor Foqué bij voorkeur de vormgegeven omgeving, is daarvoor een dankbaar motief, een motief dat danig op de proef wordt gesteld want net als bij de allereerste regels van de bundel kun je op veel plekken vragen stellen die niet of nauwelijks te beantwoorden zijn maar toch een proces oproepen dat onontbeerlijk is voor poëzie en dat veel te maken heeft met je eigen inzichten, met wie je zelf bent dus. In dit opzicht is ‘Te laat het landschap’ zonder twijfel een geslaagde dichtbundel.

Wat denkt de dichter daar zelf over? In hoeverre wil hij eigenlijk dat we met mogelijke antwoorden op de proppen komen, als je let op de strekking van het gedicht op pagina 39, waar het deelmotief water aan bod komt en in een groter bewegen oplost:


Dan kiezen dijken kant
van waar je staat
het water dwaalt
verliest zijn stroom
voor even langs de oevers
slaat nu vertwijfeling toe.

Het leven drijft nog
één seconde verder roerloos
naar een ankerplaats
ondoorgrondelijk bergt het
zijn geheimen.
Het geeft zichzelf niet prijs.



Dit soort tegenstellingen helpt ook tal van andere gedichten in ‘Te laat het landschap’ aan hun spankracht maar belangrijker is ditmaal de slotregel, de consequentie van een proces waarin doorgebroken water haar essentie van beweging verliest, nog even overgaat in leven dat tot stilstand komt en niet alleen zijn geheimen op ondoorgrondelijke wijze bergt maar ook zelf ondoorgrondelijk wordt: het geeft zich niet prijs! Als een dichter zoiets noteert houdt hij er rekening mee dat zo’n uitkomst wel degelijk mogelijk is. Zich prijsgeven veronderstelt namelijk dat er een indirect object is waaraan of aan wie dat kan worden gedaan. Daarmee bereikt Foqué twee resultaten: hij getuigt van zijn geloof dat het openbaren van geheimen niet werkelijk kan plaatsvinden, bijvoorbeeld omdat een ander wegens een andere subjectiviteit niet genoeg begrip zal kunnen opbrengen, én hij provoceert de meer eigenwijze lezer, de doorzettende lezer, om ofwel tot dezelfde slotsom te komen ofwel die te weerleggen. Niet voor niets koos Foqué van Borges de volgende twee regels: "Tu materia es el tiempo, el incesante / Tiempo. Eres cada solitario instante." Let vooral op het tweede woord van de tweede regel!

Hopelijk trekt ieder die deze zinnen van ondergetekende en, liever, de veel zuiverder zinnen en beelden van de dichter onder ogen krijgt nú een kaart uit de aangeboden waaier. Bekijk hem, buig hem in uw hand en speel méé…alsof u er zelf van afhangt.


‘TE LAAT HET LANDSCHAP’; Richard Foqué; Uitgeverij Kleinood & Grootzeer; 2011; ISBN/EAN: 978-90-76644-55-4; NUR 306; 44 pagina’s; € 16,00




De Verborgen Hoek, no. 27, februari 2012.
Foto: © Albert Hagenaars, februari 2012.
www.alberthagenaars.nl

Geen opmerkingen:

Een reactie posten