maandag 14 maart 2011

ERIK HEYMAN - Verzamelde gedichten

.

DE ONDERBROKEN SPOREN VAN ERIK HEYMAN

Dat gebeurt niet vaak: het verschijnen van een kloek boek met de verzamelde poëzie van iemand die bij leven slechts vier dunne bundels publiceerde, uitgesmeerd dan nog over een periode van maar liefst 30 jaar.
Het gaat om de in 1960 te Ninove geboren Erik Heyman die op 25 februari 2010 aan een hersenstumor overleed. Hij was toen blijkens een opmerking van samensteller Frank Pollet zelf al begonnen aan een bloemlezing t.g.v. zijn 50e verjaardag eind september. Wat kon voor de familie en literaire vrienden zinvoller zijn dan dit werk af te ronden?

Het is een heuse prestatie geworden het boek op tijd af te hebben. Zoals Pollet uitlegt, bevond zich namelijk onvermoed veel materiaal in de nalatenschap, meestal geen kant en klare producten maar talrijke versies, af én onaf, van vaak dezelfde gedichten. Niet zonder dilemma’s kwam hij goed beargumenteerd tot een indeling van: jeugdwerk; het debuut ‘Neergeschreven’ (1981); het door Heyman gewenste maar door de uitgever afgewezen ‘IJstijd’, nu toepasselijk in ‘Winters’ herdoopt; het met latere gedichten gevulde ‘IJstijd’ (1984); ‘Dagmaat’ (1994); ‘Mantis’ (2006); de reeks ‘Pro Memorie’, gepubliceerd in de monografie van kunstenaar Michel Janssens (2007); recente teksten.
Het begin geeft een duidelijk beeld van Heymans kiemen. Ook in ‘Neergeschreven’ kan de dichter nog geen eigen stempel zetten, al had hij zeker talent voor het verwerken van actuele ontwikkelingen in de poëzie. Het wekt dan geen verwondering puberale beelden gecombineerd te zien met effecten van de gekweld schrijvende, op dat moment al door jongeren gevierde H. Pernath: “Dit uur bezinkt, en slaat nu om mij neer; / de tijd zet zich in mijn verleden vast. // Want langzaam roest dan mijn geheugen weer: / ik vind dit jaren later op de tast. // Tenslotte zal ik bodemloos vergaan. / De dood komt nu al zwijgend naast me staan.”

Hoewel zijn thema’s vroeg vaststaan, zijnde de kwetsbaarheid van het leven, de dood, de angsten die daarmee gepaard gaan en, van de weeromstuit, het vasthaken aan de meest wezenlijke ervaringen in dit korte bestaan, heeft hij pas in ‘IJstijd’, maar dan volkomen overtuigend, een eigen geluid gevonden. Hij is ineens zo gerijpt dat hij zonder risico citaatregels van T.S. Eliot, die hij blijkens brieven altijd is blijven bewonderen, in z’n eigen gedichten kan onderbrengen. Van minstens zo grote betekenis, hij is inmiddels kernfysicus, zijn invloeden uit de wereld van de wetenschap. Dat de bestuiving uit die domeinen niet uit Eliotaanse as bestaat maar uit vlagen vol pollen bewijst het volgende gedicht:


POLARISATIE

iii.iii

Zij zal zachthandig van uw vrijheid
U beroven. Richt op de wentel-
Trap van haar verlangen
Steeds uw stap.

Dan wordt zij zwijgzaam bij
De koelte van haar bloed.
Zij legt de kaarten,
Leest uw lot.

Zij begeleidt u veilig naar
Het priemgetal van god.



Deze tekst, opmerkelijk kort voor zo’n complex weefsel, kenmerkt zich door een eenvoudige woordkeuze, rustige toon en schijnbare openheid. Pas bij herlezen onderga je de werking van de contrasten: vrijheid versus gevangenschap en, fascinerender, onomstotelijk vaststaande kennis versus waarzeggerij, wetenschap eveneens versus geloof. Hoe helder de regels zich ook voordoen, hoe ze met “zachthandig”, “begeleidt” en “veilig” ook geruststellen, de gewaarwording van een peilloze diepte daaronder, of daarboven natuurlijk, laat niet af. Stel dat…




Zijn finest hour, qua publiciteit en eer tenminste, beleefde Heyman met de publicatie van ‘Dagmaat’ bij De Arbeiderspers. De 3e afdeling, ‘Geologie’, trekt de meeste aandacht omdat Heyman daarin personages als Archimedes, Copernicus, Einstein, Bohr en Mandelbrot introduceert, althans de beginselen van hun leer betrekt op zijn poëtica. Hij doet dat op originele wijze want elk gedicht begint met de regel “In haar gebarentaal boots ik haar na”. De grootste vraag: wie/wat wordt met “haar” bedoeld? Het vertrekpunt, zijn perspectief, is dus steeds hetzelfde, evenals de sonnetvorm met 4-4-4-2 regels. Toch is het tegelijk een parameter omdat hij, even ingenieus als sluw, deze standaardregel laat volgen door o.m. een komma, dubbelepunt en een koppelteken. Heyman komt de eer toe het principe ƒ(x) = x + 3 te hebben geïntroduceerd in de poëzie. Hier het eerbetoon aan Vlaanderens, volgens hem bekendste, geleerde:


BODIFÉE

In haar gebarentaal boots ik haar na,
want wie kent zachter van het woord de
wonde, de verwondering, de kleine
wijsheid van de wet, en van het weten

de verbijstering. Dat alles vreemd is,
en wij het steeds opnieuw vergeten.
Kleiner dan dit valt niet te breken:
de steen is hard, en onverstaanbaar

wordt dit teken. Wij zijn niet waakzaam,
en maken ons voortdurend van elkaar
afhandig. In ons bestaat de vrijheid
niet: wij kunnen niets meer

in mekaar genezen. Wij houden
vol, omdat wij altijd vrezen.



Vrezen, ja dat deed Heyman vaak, als mens, als dichter. Angst behoort samen met zijn achtergrond als systeemondervrager tot de meest bepalende elementen voor de zorgvuldige wijze waarop hij niet alleen gedichten maar ook complete bundels concipieerde.

Zijn diepst menselijke, zijn in al hun intimiteit meest dramatische gedichten staan evenwel in ‘Mantis’. Dood, verlies en verdriet maar ook momenten van blijdschap en geluk vormen hier ondanks opnieuw heldere vormen een poëtisch gistend proces. Het openingsgedicht van de titelreeks toont dat de abrupte regelafsnijdingen voor zowel scherpte als ontregeling zorgen. Het heet ‘i’:


Een man dacht een vrouw
bij elkaar en verleende
bestaan aan geweten en
tijd. Hij wuifde de dood uit

haar oog en verdunde haar
mond. Ooit onder de aarde
verliest zij de sporen. Hij
toonde geen woord meer

maar richtte haar op uit de
grond. Hij weet nu: ze kijkt op
hem neer als een zoon die
zij niet meer kan horen.



De nagelaten gedichten bevatten degelijke, en nauwelijks minder boeiende, teksten, die echter nog niet hun typische Heyman-bestek hadden gevonden. De mogelijkheden daartoe blijven voorbehouden aan de lezer!

Het boek verslaat overtuigend Heymans onderneming vanaf de kakofonie van voorlopers en bentgenoten van de dichter waaruit diens eigen stem zich in ‘Neergeschreven’ gaandeweg losmaakt, in ‘IJstijd’ duidelijk verstaanbaar wordt, zoekend naar een lossere uitdrukkingsvorm aan een prachtige solo in ‘Dagmaat’ begint om vervolgens in ‘Mantis’ haar bestemming te vinden.
In concreto: dit unieke avontuur met voldoende hoogtepunten, nog bijgekleurd door onbekende verzen uit verschillende periodes, levert een relevante bijdrage aan de hedendaagse poëziegrafie. Elk avontuur is uniek maar niet elk laat sporen na. Dat nu is bij Heyman wel het geval. Ook hijzelf komt tot die conclusie, als hij tenminste van dezelfde interpretatie als ondergetekende uitging:

Wij hebben het gehaald, werden / getekend en geslagen met de / hand, vertonen sporen.”


www.alberthagenaars.nl

Deze recensie werd tevens gepubliceerd in het tijdschrift 'Vlaanderen', jrg. 60, februari 2011, pag. 55-56.

Foto auteur: © Bert Bevers. Uitgeverij: De Contrabas